Werkzaamheden in Maart-April.


Na een paar zeer koude dagen in begin Februari, volgde spoedig buitengewoon zacht weder. Hielden enkele bijenvolken in ‘t eind van Jan. reeds een uitvlucht, den 9en Februari hadden we de generale reinigingsvlucht. 's Morgens steeg de thermometer al vroeg tot 8 gr. Celcius en ‘s middags wees ze op beschutte plaatsen 12 gr. C. in de schaduw. Fluks werden de zinken kopjes, die wij tegen de meezen voor de vlieggaten plaatsen, weggenomen. Even later waren alle volken in volle actie. En alle toonden zich flink gezond! Van roer geen spoor. Daarbij over 't geheel genomen weinig dooden. Tegen den middag konden we de verzoeking niet weerstaan om even onder de dekmatjes der kasten te neuzen. De meeste hadden nog voeder in overvloed. Enkele kregen voor alle zekerheid een flesch suikerstroop. Op een der vliegplanken lag reeds een volwassen jonge bij. Voor een der andere vonden we een doode koningin. Dit volk toonde zich des avonds zeer onrustig. Bij 't inspecteeren den volgenden dag, vonden we geen broed en een legio moercellen aangezet (aangeblazen). Een reservekoningin werd toegezet en den daaropvolgenden dag vrijgelaten. Dat alles goed gelukt was, toonde ons dezer dagen 't aanwezige broed en de verdwenen moercellen.

In streken waar 't vorige jaar door de droogte weinig stuifmeel gehaald is, kan een meelvoedering van dienst zijn. De veronderstelling van sommigen, dat 't meel in de cellen zal versteenen, deel ik niet geheel. Bij mij hebben de bijen 't vorige jaar eenige ponden in haar woning gedragen en ik heb er niets van teruggevonden. Men zet tarwebloem op een droge, beschutte plaats, en ge moet eens zien hoe de bijen zich daar inrollen.

Van hazelaar, crocus, sneeuwklokje, els, wilg enz., wordt het eerste stuifmeel weer aangebracht.
Houd de vlieggaten klein, om rooverij te voorkomen, waar de bijen nu graag mee beginnen.
Waar gebrek heerscht, geeft men eenige ponden honig, in een of twee keer. Bedenk, dat met dit zachte weer de broedaanzet flink voortgang zal hebben.
Reken erop dat de bijen in Maart en April vaak meer teren dan van October tot Februari.
Heeft men geen honig, geef dan suikerstroop; koop geen honig waarvan de afkomst onbekend is! Mors geen honig bij den stal, waardoor men rooverij uitlokt, want 't is hier ook weer: beter voorkomen dan genezen.
't Is nu ook de tijd voor hen die zich bijen aanschaffen willen, te beproeven eenige goede volken machtig te worden. Ziet daarbij niet op een paar gulden als ge wat goeds krijgen kunt.

Vaste bouw. Waar bij sommigen nog gewoonte bestaat om in 't voorjaar het werk (de wasraten) te korten, zou ik hun raden dit tot de darrenraten te beperken. Voor deze uitgesneden darrenraten lascht men dan met spijltjes werksterraat of kunstraat in, om te voorkomen dat de bijen in die open plaatsen weer darrenraten bouwen. Ge bespaart ze zoodoende veel onnoodig werk.
Kleine of moerlooze volken kunnen nu zoo spoedig mogelijk vereenigd worden met sterke, zoo men voor moerlooze geen reservekoninginnen in voorraad heeft. Men klopt de bijen uit den korf en na ze met wat suikerwater besproeid te hebben, laat men ze een sterk volk toeloopen, dat ook voor dien tijd dezelfde besproeiing gehad heeft.
Klein noemt men een volk als 't b.v. één of 2 straten in een korf bezet.
Imkers die zwermteelt bedrijven kunnen begin April met speculatieve voedering in kleine kwantums aanvangen om zoo vroeg mogelijk de zwermen te kunnen verwachten. Men begint met om de 2 avonden een schoteltje matig verdunden honig onder den korf te zetten, om dan later om den anderen avond een grotere hoeveelheid te geven.

Losse bouw. In Maart moet iedere woning grondig onderzocht worden. Men let dan op voedervoorraad, broedaanzet, wasmot enz. Is het broed niet aaneengesloten, zijn er tusschen verschillende cellen ledig, dan duidt dat vaak op een minder goede koningin die men later door een betere zal vervangen. Besluit echter niet te haastig, want veelal komt verder in 't voorjaar alles terecht.
Zwakke volken, dezulke die maar 2 of 3 straten bezetten, kan men met sterke vereenigen. Men zet de broedkamer van zoo'n zwak volk, nadat de koningin weggevangen is, op die van een sterk, met een courant er tusschen. De bijen knagen het papier door en vereenigen
zich zóó vreedzaam.
Als de koningin goed is, zou men ze kunnen aanhouden, om, vooral in streken waar de hoofddracht vroeg invalt, te dienen voor 't ontvangen van ramen, met broed uit volken die mogelijk anders voor de hoofddracht gaan zwermen. Daarbij zijn ze zeer geschikt om middelmatige volken met hun broed successievelijk op kracht te brengen. Heeft men dit bij de inwintering niet gedaan, dan zorgt men nu de raampjes met darrenbouw of beschimmelde, te verwijderen en ze door andere te vervangen. Van de winterbedekking mag nog niets verminderd worden, warm houden der volken is de boodschap.

J.R. te Veldhuis