Nosema.
Wanneer in het vroege voorjaar de eerste zonnedagen komen, of dagen zonder zon met een temperatuur van 12 à 13 gr. C., dan verbeelden wij ons dat het lente is. En een lentegevoel, daar is bij ons imkers, onafscheidelijk aan verbonden het gonzen van bijen, want wij kunnen ons geen voorjaar of zomer voorstellen, zonder de lusten of lasten aan ons geliefkoosd bedrijf verbonden. Spoeden wij ons dan naar buiten, dan is het of de bijen ook de thermometer geraadpleegd hebben, want aan verscheidene vlieggaten begint al beweging te komen. Trekken wij nu de vliegschuiven zoo ver mogelijk open, zoodat de warme lucht kan binnenstroomen, dan duurt het niet lang of de bijen komen met tientallen en honderdtallen
naar buiten, dansen nog een wijle voor haar woning en verliezen zich dan in de zoele voorjaarslucht, om na eenige minuten gereinigd weder in hare kasten terug te keeren.
Jammer echter komen lang niet alle bijen na zoo'n uitvlucht weder in de woning terug, vele komen zelfs reeds bij het verlaten ervan op den grond terecht, wagen nog verscheidene vliegpogingen, maar sterven spoedig van koude. Toen ik pas aan 't imkeren was, troostte ik mij bij het gezicht van die doode bijen, met de gedachte dat het toch maar allemaal oude waren en dus tot weinig nut, en zeker, het zijn wel oude bijen, maar toch niet van ouderdom, maar meest aan eene ziekte gestorven. Was dit niet het geval, dan zou van een heele bijenstand het aantal dooden voor ieder volk ongeveer hetzelfde zijn, aangenomen dat alle met hetzelfde voeder en op dezelfde manier waren ingewinterd. Ziet men echter na een algemeene uitvlucht de volken luchtig na, dan zal men bij de meeste slechts een enkele doode bij vinden, zoowel voor de woning als op den bodemplank, terwijl bij andere volken de grond voor de kast als bezaaid is met bijen en ook de bodemplank menige bij vertoont, die reeds in den loop van den winter gestorven is.
Nu is de meest voorkomende bijenziekte de roer of loop, de laatste jaren zeer verminderd, voornamelijk door het meer algemeen bezigen van suiker als wintervoeder, of tenminste als toevoeging van reeds aanwezigen honing. Eene andere ziekte echter, die altijd wel sporadisch voorkwam, de Nosema, begint nu meer op den voorgrond te treden en zich op onheilspellende wijze te verbreiden. Geen wonder dus dat geleerden, wien de bijenteelt na ter harte gaat, zich er de laatste jaren bijzonder voor interesseerden en nader den aard dezer ziekte hebben onderzocht, te meer daar vele bijentelers van oordeel waren dat de Nosema-ziekte als gevolg groote vatbaarheid voor de roer met zich bracht. Reeds in 1857 had de dierkundige en bijen-kenner Leuchart in de chylusmaag van de bij kleine lichaampjes ontdekt, die hij als oorzaak beschouwde van eene ziekte en die thans zijn gebleken, ééncellige microben te zijn, die zich door sporen voortplanten, evenals de bacil van het vuilbroed. Behalve in de chylusmaag bevinden de microben zich ook in den middeldarm en de Malpigische vaten. Als men nagaat dat deze bacil, de Nosema apis, met hare sporen weer honderden bijen kan aansteken, kan men begrijpen dat een volk dat erg door Nosema is aangetast, zeer spoedig in sterkte zal verminderen. Het is echter gelukkig dat niet het broed en de jonge bijen vatbaar schijnen te zijn voor besmetting, maar alleen de oude bijen, doch daar het juist deze zijn die ons den honing verzamelen, is het geen wonder dat men van aangetaste volken geen grooten oogst verkrijgt.
Als oorzaak van de verbreiding der ziekte wordt voornamelijk beschouwd de hedendaagsche bedrijfswijze, dat is de losse bouw, die door het omhangen van ramen, het maken van kunstzwermen enz., den sporen der bacil gelegenheid te over biedt om zich van het eene volk naar liet andere te verplaatsen. Nemen wij aan dat de moderne bijenteelt oorzaak is van de toeneming der Nosema, dan geeft ook aan den anderen kant de losse bouw gemakkelijke middelen aan de hand, om deze zoowel als alle andere bijenziekten te bestrijden, en al is er aan de verschillende krankheden niet veel te dokteren, toch is het hoog noodzakelijk dat wij, door groote opmerkzaamheid en doelmatige behandeling, de ziektekiemen ontdekken en trachten te vernietigen. Hiervoor moeten wij in de eerste plaats toezien bij uitvluchten in het voorjaar, zoodat wij aan het einde van den vliegdag kunnen constateeren welke volken volkomen gezond zijn en bij welke ziekteverschijnselen voorkomen. Deze laatste worden genoteerd als niet geschikt om te worden gebruikt voor vermenigvuldiging, of tot versterking voor andere volken. Verder wordt zoo'n volk zoo spoedig mogelijk gereinigd, dat is, de doode bijen, zoowel voor de woning als op den bodemplank, verwijderd en onschadelijk gemaakt; de bodemplank door een schoone vervangen en de gebruikte met zeepwater met een weinig carbol afgepoetst.
Laat het weder de eerstvolgende dagen nu toe de werkzaamheden voort te zetten, dan wordt de kast geopend en de raten in eene schoone broedkamer overgehangen. De donkere raten echter, bijv. de beide buitenste, worden door ramen met nieuwe kunstraat vervangen, want juist deze oude, bruine raten, die reeds zoovele malen gebruikt zijn, bevatten het meeste sporen van de besmettelijke bijenziekten. Later in het voorjaar kan men de schoone raten naar het midden brengen en als het kan, weer één of twee donkere verwijderen. Opent men dan midden in den zomer zulk een kast en ziet men die frissche, schoone, nieuw uitgebouwde ramen, dan zal men terecht kunnen denken: "Neen, daar zullen de bacillen en de sporen en al dat gespuis niet in kunnen tieren. Bij de oude Grieken reeds was de bij het zinnebeeld van al wat rein is, zoet en liefelijk; laten wij waken dat in hare woning, die aan onze zorg
is toevertrouwd, eene zoo groote reinheid heerscht, datzij ook daar haar zinnebeeld getrouw kan blijven.