Naar de Kersenboomgaarden te Eijsden.


Hier geldt het spreekwoord: als de eene hand de andere wascht, worden ze beide schoon.
De ijmkers kunnen de bezitters der kerseboomen helpen aan vruchten en deze de ijmkers aan honig. Zeer interessante proeven zijn in Zuid-Limburg genomen geworden om de oorzaak op te speuren van de steeds toenemende onvruchtbaarheid der kerseboomen. Na een rijken bloei volgde toch geen dracht. De proeven hebben duidelijk bewezen dat dit verschijnsel is toe te schrijven aan het onbevrucht blijven der bloemen.

De bloem van de kers heeft in het midden een orgaan dat men stamper noemt. Alleen het bovenste gedeelte is daarvan zichtbaar, n.l. een draad die boven verbreed is. De draad heet stijl, het verbreede deel stempel. De stijl zet zich naar beneden voort en draagt dan den naam vruchtbeginsel. Rondom den stamper ziet men verscheidene draden die in een knop eindigen, het zijn de meeldraden. Zijn deze meeldraden, of liever, de knoppen rijp, dan geven ze stuifmeel af. Dit stuifmeel moet met den stempel in aanraking komen en dit heeft tengevolge, dat het vruchtbeginsel begint te zwellen en tot een kers aangroeit, terwijl de rest van de bloem afvalt.

Zooals reeds gezegd, de boomen bloeien elk jaar rijk, maar brengen geen vruchten voort. Na eerst allerlei andere zaken onderzocht te hebben, kwam men op de gedachte de bevruchting kunstmatig tot stand te brengen. Bevruchting noemt men de actie waarbij stuifmeel in aanraking komt met den stamper, waardoor de prikkel wordt geboren, die aanleiding geeft dat het vruchtbeginsel tot vrucht wordt.

Van de kersenvariëteit Basterddikke, die het meest voorkomt, werden bloemen bestoven met stuifmeel afkomstig van bloemen van denzelfden boom; andere bloemen werden bestoven met stuifmeel afkomstig van bloemen van een anderen boom van dezelfde variëteit; nog andere bloemen werden bestoven met stuifmeel afkomstig van bloemen van een andere kersenvariëteit, n.l. de Blanquette; terwijl bovendien weer andere bloemen onbestoven bleven. Het resultaat was verrassend. Alleen de bloemen van de Basterddikke bestoven met stuifmeel afkomstig van de Blanquette gaven rijkelijk vrucht, terwijl de onbestoven geen en de andere weinig vruchten gaven. Deze proeven zijn op verschillende plaatsen en eenige jaren achtereen genomen, steeds met hetzelfde verrassende en duidelijk sprekende resultaat.
Wie hiervan meer wil weten, schafte zich aan: De onvruchtbaarheid der kersen in Zuid-Limburg à 25 cent, uitgave van Leiter-Nijpels, Maastricht.

We kunnen hierover niet verder uitweiden, maar willen alleen de conclusiën weergeven die uit deze proeven kunnen worden getrokken:
l. dat de vruchtbeginsels der kerseboomen, hetzij deze onbevrucht, hetzij bevrucht zijn met stuifmeel van dezelfde variëteit, een tijdlang doorgroeien, later echter afvallen;
2. de Basterddikke is zelfsteriel, d.w.z. de bloemen kunnen met eigen stuifmeel niet worden bevrucht. Verdere proefnemingen hebben zelfs tot de gevolgtrekking gevoerd, dat alle kerseboomen in ons land zelfsteriel zijn. Hierdoor wordt het feit verklaard dat ook elders in ons land meermalen is opgemerkt, dat kerseboomgaarden geen kersen voortbrachten, wanneer de aanplaating slechts uit één variëteit bestaat en in de omgeving geen andere kersenvariëteiten voorkomen, die om denzelfden tijd bloeien.
3. de Basterddikke wordt vruchtbaar, als de bloemen dezer variëteit met stuifmeel van een andere variëteit worden bevrucht.

Kersenboom te Eijsden waarvan in 1911 niet minder
dan 632 K.G. kersen werden geoogst.

Het groote nut der bijenteelt komt hier nu prachtig te voorschijn. De bijen kunnen het stuifmeel van de Blanquette, of Gasconjer, een andere kersenvariëteit, naar de bloemen van de Basterddikke overbrengen, mits deze soorten of variëteiten maar tegelijk in bloei zijn.
Dat dit nu maar niet in hypothese, maar in de werkelijkheid bestaat, is bewezen. In 1909 stonden te Eijsden 500 bijenvolken en had men veel kersen, waar in de boomgaarden Basterddikke met andere vroegbloeiende kerseboomen gemengd voorkwamen. In de andere dorpen, zonder bijen, waren ook geen kersen. Het behoeft dus den ijmkers niet te verwonderen, dat de bezitters van kerseboomgaarden in Eijsden erop gesteld zijn dat de ijmkers met hun bijen naar dit schoone en vruchtbare plekje van ons land komen.

Hoe men in Eijsden de bijen in de boomgaarden verzorgt.

Ieder tuinder die kersen teelt heeft bijen noodig om kersen te kunnen oogsten, want, zooals reeds is gezegd, de verschillende kersenvariëteiten in ons land zijn hoogstwaarschijnlijk alle zelfsteriel en het vruchtverwekkende stuifmeel moet dus van elders worden aangevoerd; geen beter arbeidsters daarvoor dan onze bijtjes.
Om dit groote economische belang verdient de bijenteelt ten zeerste de waardeering van ieder die met landbouw en fruiteelt heeft te maken en het is van zeer veel belang dat in ons land het nut der bijenhouderij thans zoo duidelijk in dit opzicht is gebleken.
De bijenteelt moet reeds daarom alleen vooruit en dit is ook een prachtig argument om steun te verlangen van onze hooge Regeering om de bijenteelt te bevorderen. De trek der ijmkers naar Zuid-Limburg, eind Maart, begin April, is steeds toenemende en zeker is het dat dit jaar die trek nog grooter zal zijn dan anders.
De ijmkers worden, zooals men mij mededeelt, gastvrij in Eijsden ontvangen; het vervoer der bijen vanaf station Eijsden naar de weilanden met kerseboomgaarden geschiedt kosteloos en met geschikte voertuigen en verder worden ook gaarne die maatregelen getroffen, welke men noodig acht.

Om een denkbeeld te geven van de boomen en van de plaatsing der volken, gaat dit artikel vergezeld van twee plaatjes.
Het eerste stelt voor een kerseboom "Basterddikke" van den heer L. Duijzens, Wethouder te Eijsden, die in 1911 aan kersen 632 K.G. opbracht, zooals mij gemeld wordt door heer heer P. Janssen, Secr. van de Afd. der Ver. voor Bijenteelt te Eijsden.
Het tweede plaatje geeft aan hoe de volken worden opgepast.

Om ten slotte nog eens het nut der bijen voor het verkrijgen van een goede kersenoogst te bewijzen, kan ik melden dat een foto in mijn bezit is van een boomgaard waarvan de eigenaar verklaart dat hij in 30 jaar (zoo lang staan de boomen er) met elkaar niet zooveel kersen heeft geplukt als in 1911 toen er bijen in den boomgaard stonden. Opgemerkt moet hierbij worden dat deze boomgaard is een gemengde beplanting van verschillende kersenvariëteiten.

H. Stienstra