Het Noorden wil zich vereenigen.
De Red. ontving van den heer Kl. Poel een schrijven van ongeveer den volgenden inhoud:
De Afd. Groningen wenscht een vergadering te beleggen van de verschillende Afd. in het Noorden van ons land, ten einde een vereeniging te stichten, die zal trachten den geheelen handel in honig in handen te krijgen. Men stelt zich niet voor, dat dit ineens zal gaan en evenmin, dat de oprichting van één centrale perserij nu reeds mogelijk zal wezen. Maar er moet iets gedaan worden, anders komt er nooit wat tot stand. Het begin kan zijn het versterken van coöperatieve perserijen, als er zijn te Steenwijkerwold en Nietap, eveneens het steunen van bijenmarkten, zooals er een bestaat te Beilen.
Verder wordt gedacht aan de mogelijkheid dat het Noorden zich belast met den suikerinkoop voor dit deel van ons land, te Groningen, waardoor men meent dat suiker 14 dagen later zou kunnen worden besteld en nog eerder dan thans in handen zijn van de ijmkers, terwijl de prijs misschien lager zou kunnen zijn.
Ook zou zulk een vereeniging de brandverzekering ter hand kunnen nemen. Men ziet, het Noorden wordt ongeduldig. Men wil dat er iets gebeurt waardoor de honigverkoop in betere banen wordt geleid. De Afd. in het Noorden moeten aan den oproep van Groningen gehoor geven en zich op de vergadering, die zal worden uitgeschreven, doen vertegenwoordigen.
Alvorens men tot iets definitiefs overgaat, zal men echter dienen af te wachten wat het rapport der honigcommissie zal zijn en waartoe dit rapport aanleiding zal geven.
Wanneer er iets tot stand zal komen, moeten er twee dingen zijn: er moet coöperatief worden gewerkt, en er moet een bedrijfskapitaal wezen om aan den gang te komen. Reeds voor eenige jaren schreef ik, dat de ontwikkeling van coöperatief optreden onder de ijmkers parallel dient te loopen met wat er gebeurt bij de zuivelbereiding.
De groote moeilijkheid zit in het verspreid wonen der ijmkers, zoodat het vervoer van den ruwen honing naar één punt, waar die wordt verwerkt, moeilijkheden oplevert. Hier staat tegenover dat zoo in de verschillende afdeelingen de ruwe honig wordt verwerkt, geen gelijkmatig produkt wordt verkregen en dat zal moeilijkheid geven bij den verkoop, bovendien kost de verwerking van den honig zóó meer aan arbeidsloon.
Wanneer de honig in een centrum vereenigd is, zal men hetzelfde verschijnsel als overal hebben, dat het produkt beter van de hand gaat, dan wanneer het produkt hier en daar is te vinden. Men wil wat doen; maar wat dan? Woorden geven niets, die zijn er nu al jaren gesproken. Er moeten thans daden geschieden. Laat men eens nadenken over het idee of een gemeenschappelijke honigzeemerij, die zich uitstrekt over het Noorden, mogelijk is of niet. Ik voor mij geloof aan die mogelijkheid.
Ik wensch daarover evenwel thans niet uit te wijden omdat allereerst dient afgewacht met welke voorstellen de honigcommissie komt.
Intusschen is het goed dat het Noorden besprekingen onder elkander houdt, om op de a.s. algemeene vergadering een woordvoerder te hebben, die voor de belangen dier ijmkers kan opkomen en deze in het midden der vergadering weet te brengen.
Het spijt mij wel, dat ik de heer Poel geen inlichtingen kan geven aangaande onderlinge brandverzekeringmaatschappijen, die werken op het gebied van bijenteelt.
H. Stienstra