Parthenogenesis.


Een kleine verklaring tot goed begrip van het schrijven van den heer Jurling Beek (apr. ’12), zal hierbij zeker op haar plaats zijn.

Behalve bij de zeer laag georganiseerde wezens stond langen tijd het feit vast dat nieuwe wezens slechts kunnen ontstaan door de acte van eene voorafgaande bevruchting.
Dr. Dzierzon vond door zijne practische onderzoekingen, dat de koningin tijdens de bruiloftsvlucht, van de dar voor haar geheele verdere leven het bevruchtingszaad ontvangt, dat zij in de z.g. zaadblaas bewaart.
Wanneer nu een ei deze zaadblaas passeert en met zaad hieruit bevrucht wordt, is dit ei geschikt om te ontwikkelen tot vrouwelijk individu, dus tot werkbij, onvolkomen ontwikkeld vrouwelijk wezen, of tot koningin. Het ei wordt werkbij, wanneer de voeding minder volkomen plaats heeft en tot koningin, wanneer de voeding meer volkomen is. Ieder op genoemde wijze bevrucht eitje bezit dus in zich het vermogen om tot koningin uit te groeien.

De koningin geeft echter ook eitjes af, die vooraf niet worden bevrucht en hieruit ontstaan de mannelijke wezens, de darren. De dar ontstaat dus volgens Dzierzon, zonder een voorafgaande bevruchting. Dit verschijnsel wordt ook nog bij andere insecten waargenomen en wordt wetenschappelijk aangeduid door het woord parthenogenesis.
Dit wordt bevestigd door het feit dat onbevruchte koninginnen, en in bepaalde omstandigheden ook werkbijen, in staat zijn eitjes te leggen waaruit vervolgens darren worden geboren. Deze leer is wetenschappelijk onderzocht door Luckart en Siebold, die er hun zegel aan hechtten.

Volgens deze leer bezit het eitje, dat even voor het leggen met zaad uit de zaadblaas (afkomstig van de bevruchtende dar), reeds het vermogen in zich om een individu het aanzijn te geven dat in staat is zonder voorafgaande bevruchting iets voort te brengen waaruit mannelijke wezens kunnen ontstaan.
De dar heeft dus geen vader, maar wel een grootvader, tenzij men aanneemt dat het vermogen der koningin om darren voort te brengen, reeds van meet af in haar natuur ligt opgesloten.
Neemt men aan dat de paring tusschen koningin en dar, tijdens de bruiloftsvlucht hoog in de lucht, beslist over de volgende generatie van koningin, werkbijen en de daarop volgende generatie van darren, dan zal men inzien hoe moeilijk het is invloed uit te oefenen op de kruisingsproducten van vreemde en inlandsche bijen.

Indien men een echte Italiaansche en door evenzeer echte Italiaansche darren bevruchte koningin ontvangt op zijn stand met inlandsche bijen, dan zal het eerste kruisingsproduct van Italiaansche koningin en inlandsche dar tengevolge hebben dat men krijgt een koningin en werkbijen van gekruist ras en nog zuiver Italiaansche darren. Een kruising tusschen deze bastaard Italiaansche koningin en inlandschen dar geeft eerst darren van gekruist ras. Dit verschijnsel maakt zeker wel duidelijk wat we aanduidden met: de dar heeft geen vader, maar wel een grootvader.

Dzierzon's leer in 't kort weergegeven luidt dus, dat de mannelijke eitjes onbevrucht zijn en de eitjes, waaruit werkbijen en koninginnen geboren worden, vooraf bevrucht zijn. De koningin bezit het vermogen naar willekeur bevruchte en onbevruchte eitjes te leggen.
Het lot der bevruchte eitjes, n.l. of ze zullen uitgroeien tot koningin of werkbij, wordt beslist door de voeding en wel zoo, dat de larven uit deze eitjes geboren, zelfs nog tot den derden dag toe de geschiktheid blijven bezitten tot koninginnen te worden opgekweekt.

Ludwig zocht het verschil in iets anders dan in de voeding. Hij beweerde, dat het bevruchte ei tot koningin of werkbij werd, voornamelijk door den invloed van een soort ferment, een speekselafscheiding, die zoowel invloed op het ei, als op de bijen uitoefent, welke de larve die er uit voortkomt moeten verzorgen, waardoor het eene ei tot koningin, de andere tot werkbijen worden.

Dickel verwerpt de parthenogenesis geheel. Hij neemt aan dat de koningin slechts bevruchte eitjes afgeeft. Alle eitjes moeten volgens hem dus tot koninginnen en werkbijen kunnen worden. Dat er echter uit sommige eitjes darren ontstaan, komt omdat de werkbijen door speekselafscheiding aan het ei toe te voegen het mannelijke geslacht bepalen.
Wel kunnen de koningin en de werkbij eitjes voortbrengen zonder voorafgaande bevruchting, maar de darren, die hieruit worden geboren, zijn slechts mannetjes in schijn, ze zijn niet in staat een bevruchting tot stand te brengen.

Professor Bachmetjew heeft door verschillende nauwgezet genomen proeven dit laatste vastgesteld.
De leer van Dzierzon, die langzamerhand tot een soort dogma werd, wordt door Dickel dus in den grond betwist.
Zooals in zulke gevallen dit steeds gaat, geeft dit aanleiding tot verdeeldheid. De aanhangers der nieuwe leer zijn sterke voorstanders; en de reactie maakt dat er evenzeer felle tegenstanders zijn.

De heer R. schijnt het werk van Dickel niet voor ernstig te nemen, vandaar dat hij van "het praatje van Dickel" spreekt en de beoordeeling ervan was in sommige Duitsche vakbladen niet veel beter, terwijl weer andere er gunstig over oordeelen.
Het feit echter, dat velen zich thans met deze zaak ernstig inlaten, maakt dat het niet goed te keuren is op het werk van Dickel met verachting neer te zien en evenmin als de heer Jurling Beck geloof ik, dat de heer R. iets met zijn geval bewezen heeft tegen Dickels leer. Zulke dingen worden niet door een toevalligheidje bewezen. Daarvoor kunnen er te veel onvoorziene omstandigheden in het spel zijn.

H. Stienstra.

P.S. In de P. I. komt de heer Dickel op tegen de ook hier gewraakte uitdrukking van den heer Riesener. D. zegt daarin ook, dat volgens onderzoekingen van den laatsten tijd aan de universiteit te München is uitgemaakt, dat alle eitjes eener gepaarde koningin, ook waarvan darren komen, de koningin bevrucht verlaten. Daarentegen zijn de eitjes van niet gepaard hebbende koninginnen en van eierleggende werkbijen, onbevrucht. Hoe verklaart de heer Dickel dan, dat van bastaard Italiaansche koninginnen, zuivere Italiaansche darren komen, als de paring plaats had tusschen een zuivere Italiaansche koningin en een zwarte dar. Gaarne worden de kolommen van het Maandschrift voor den heer Dickel beschikbaar gesteld.

H. Stienstra.