Werkzaamheden in Mei - Juni.


Alles zet vroeg in dit jaar. Op het tijdstip dat we dit schrijven (20 April), zijn de kruisbessen zoo goed als uitgebloeid. Vroege kersen hebben hun prachtigen, sneeuwwitten dos voor 't meerendeel verloren. De paardenbloem bloeit al volop. Pereboomen bloeien rijker dan in jaren te voren. Alleen de schrale Noord-Oosten wind speelt ons parten. Stuifmeel wordt er volop gehaald, misschien wel te veel, zoodat het broednest daardoor geheel ingesloten wordt.

De maanden Mei en Juni zijn ongetwijfeld de drukste op den bijenstand. In de eerste plaats is in de Meimaand de speculatieve voedering een geregeld terugkomende bezigheid, waarmede menig avonduurtje gesleten wordt. Vooral de imker die zwermteelt drijft, weet bijna niet hoe vaak hij zijn volken zal aanporren. De imker die minder op zwermen bedacht is, prikkelt daarentegen zijn bijen niet overdadig, wat hem ook zooveel minder werk geeft. In grootere kwantums en bij langere tusschen ruimten tracht hij, en vooral in streken met vroege hoofddracht, zijn volken wel sterk, maar niet zwermlustig te krijgen. Daardoor kan hij in den regel zooveel vroeger honig oogsten.

In 't laatst van Mei, vaak pas begin Juni, kan men in de meeste streken de zwermen verwachten. Men zorgt dus de woningen daarvoor gereed te hebben, zoodat men niet onverhoopt op 't laatst verschillende zaken behoeft te regelen, waarvoor reeds lang gelegenheid was. Voor men de leege korven of kasten weer in gebruik neemt, is het goed deze te reinigen met frisch gras of eenig welriekend kruid. Menigmaal trekt een ingeslagen zwerm uit, waarvan de vuile woning de oorzaak is.

Vaste bouw. In streken waar niet vroeg reeds overvloedig te halen is, zal de imker de speculatieve voedering met kracht voortzetten. Waar men het tijdroovende oppassen van den eersten zwerm wil voorkomen, kan men ze afkloppen (jagen). Dit jagen doet men niet eerder dan wanneer de moerdoppen aangezet en van larven voorzien zijn. (in de melk staan.) In mijn streek hield men daar vroeger een bepaalden datum voor, waarvan men echter de laatste jaren afgeweken is. Velen jagen, als de korf maar boordevol bijen is, zonder verder op aanwezigheid van moerdoppen te letten. 't Verdient aanbeveling te wachten tot deze aanwezig zijn. Waar men met uitzicht op heidedracht, in Juni flinke dracht op de witte klaver heeft, wil 't vaak voorkomen dat de bijen het zwermen geheel vergeten. Is men dan van plan de later komende toch aan te nemen, zoo zal 't beter zijn ze op tijd af te kloppen. Velen gebruiken bij dit jagen een leege korf, maar een z.g. jaagnaps, een platte, wijde korf, die ruim om de gewone korven heen sluit, is daarvoor verkiezelijker. Door zijn wijdte wordt het zoeken naar de koningin zeer vergemakkelijkt. Neem niet te veel zwermen van een korf. Alleen in zeer gunstige jaren zal men daarvan voordeel hebben. Beter één sterk bevolkte korf, dan 2 à 3 zwakke. Natuurlijk maakt de streek waar men imkert eenig verschil. Waar toch alleen de hoofddracht op de heide is, zal men hoogstens verdubbelen. Ja, menigeen vermeerdert maar 1/3.

Waar echter een aanhoudende flinke dracht is, zooals in mijn streek, zal 't bij den vasten bouw moeilijk zijn om zoo weinig te vermeerderen. Maar alles heeft zijn grens. Er zijn er die van één volk 10 maken en er grootsch op gaan. In den herfst zingen ze in den regel een toontje lager en verwenschen het z.g. slechte honigjaar. Kan het anders?
Vele korfimkers houden voor den eersten zwerm (oude moer) een vel, korf met eenigen wasbouw en honig in voorraad. Wordt zulk een zwerm afgeklopt, dan gaat zij in dien korf, nadat hij met een doek afgesloten is, op een donkere plaats tot den volgenden avond, of wordt op minstens een half uur gaans van de oude standplaats gebracht, voor een 14-tal dagen. Wil men de eerste natuurzwerm op zulk een korf slaan, zoo is 't goed daarmede tot den avond te wachten, daar men anders kans heeft dat ze er dadelijk weer aftrekken of aan roovers ten prooi wordt.

Bij slecht weer zal men de zwermen in leege korven voeren. Wie goed van honig voorzien is, voert eerste zwermen ook bij matige dracht na den 2en of 3en dag, een dag of acht flink, om ze in staat te stellen in den kortst mogelijken tijd den ratenbouw tot onder in den korf te voltooien.

Wie niet speciaal aan koninginnenteelt doet, houde toch eenige koninginnen in kleine nazwermpjes in voorraad om bij moerloosheid een plaatsvervanger te hebben. Zorg dat de korven goed gespijld worden en de wasbouw zuiver recht in den korf komt. Met spijlen houde men rekening of men reizen wil, daar dan met meerdere zorg en in ruimer aantal gespijld dient te worden. Door stukjes voorbouw of einden raamlatjes met reepjes kunstraat, in den kop van den korf te bevestigen, kan men de bijen de richting aangeven. Denk om de maat, 3½ c.M. tusschen de kunstraat onderling! Bij ronde korven laat men de wasraten met de smalle zijde naar 't vlieggat bouwen (koude bouw).

Losse bouw. Waar in sommige streken de losse-bouw-imker half Mei reeds geslingerd kan hebben, moet in andere nog flink gevoerd worden om zijn bijen op krachten te houden, of te krijgen. Waar de dracht flink inzet, plaatst men de honigkamer op. Doe dat niet eerder dan wanneer de kasten flink bevolkt zijn. Zwakke volken brengen U toch geen overschot. In de maand Mei en Juni is bij goede dracht en gunstig weer, prachtige gelegenheid om kunstraten te laten uitbouwen. Zoo lang men de bouwdrift in de volken kan houden, vergeten ze tevens het zwermen. Wie in Juni zijn hoofddracht heeft en geen bijzondere prijs stelt op raathonig, past, wanneer de broedkamer flink bevolkt is, echter vóór er zwermgedachten zijn, de omhangmethode toe. Wie bang is, dat later zijn zwermen nog wegvliegen, kan dan tevens bij 't uitzoeken der koningin, een vleugel knippen. Buiten deze methode zijn er verschillende andere, teveel om op te noemen, om de zwermdrift op te schuiven.
Waar koninginnenteelt toegepast wordt, heeft men zijn kastjes in gereedheid gebracht. Laat het beste volk van uwen stand U het fokmateriaal leveren. Maakt men geen speciaal werk van koninginnenteelt, zorg dan toch van uw beste volk eenige jonge koninginnen in kleine volkjes te bewaren.
De mobielimker streeft er naar het zwermen zooveel mogelijk te beperken en in streken zonder herfstdracht geheel te voorkomen.
Bestrijdt de wasmot in de bijenwoningen en in uw ratenvoorraad. Duid daarom ook geen zwakkelingen of moerlooze volken op uw stand, hun aanwezigheid baart U meestal zorgen. Houd met koud weder de bijen nog warm afgedekt.

J.R. te Veldhuis