Verslag van de Algemeene Vergadering

van de

Vereeniging tot bevordering van de Bijenteelt in Nederland,

den 9en Mei 1912 te Utrecht gehouden.

Met een kort openingswoord opent de voorzitter de vergadering, waarin 73 afdeelingen vertegenwoordigd zijn. Door vertrek naar het buitenland is de onder-voorzitter, de heer de Kempenaer, lid van het Hoofdbestuur, verhinderd tegenwoordig te zijn.
Na afroepen der vertegenwoordigde afdeelingen, wordt de heer van Giersbergen aangewezen als afgevaardigde van de verspreide leden.

Jaarverslag over 1911.

Het honingrijke jaar 1910 is helaas gevolgd door zulk een treurig gewin in 1911, als weinigen zich zullen herinneren. Tengevolge van de aanhoudende en ongekende warmte en droogte werd noch in den zomer, noch in den herfst honing van eenige beteekenis gewonnen. De boekweitvelden stonden verdord; de heide was letterlijk verbrand! De moed, in 1910 aangewakkerd, ging er wel niet uit bij de oude imkers, die al lang gewend zijn aan meer tegen- dan voorspoed in hun bedrijf, maar een jaar als 1911 is toch oorzaak dat de rookende vlaswiek gevaar loopt uitgebluscht te worden. De jonge imkers, de nieuwelingen, aangevuurd door het succes van 1910, hebben wel een vuurdoop ondergaan; hoevelen zouden er wel gesneuveld zijn?
De ontwikkeling der volken in het voorjaar was zeer gunstig; in de streken waar kruisbessen en boomgaarden konden worden bevlogen, werd geroemd op de overvloedige dracht. Ook de luzerne-klavervelden gaven veel honing. In het algemeen was de maand Mei voor de bijenteelt ongekend gunstig. Alles ging naar wensch, totdat de droogte en de verzengende hitte intrad. Toen teerden de volken in en de broedaanzet verminderde met den dag. Vele volken stierven op de hooge heide den hongerdood. Alleen de lage heide gaf hier en daar gewin. Goed bevolkte kasten en korven voor de inwintering werden slechts sporadisch aangetroffen. In één woord, de algemeene toestand was zonder overdrijving slecht. Gelukkig staat hiertegenover een toenemende belangstelling in de bijenteelt bij den land- en tuinbouw, met het oog op de bevruchting der bloemen.
Uit de drachtlooze zandstreken werden o.a. meer en meer bijenvolken gebracht naar de boomgaarden, op verzoek der eigenaars. De schitterende uitkomsten der proeven, genomen door den Rijkstuinbouwleeraar voor Limburg in de kersenboomgaarden van Eijsden en Omstreken, zijn aan deze belangstelling niet vreemd. Werd voorheen staangeld van de imkers geheven, thans geven de bezitters van boomgaarden gaarne vergoeding, als de bijenhouders hunne volken naar de bloeiende ooftboomen willen transporteeren. Het is een verblijdend verschijnsel, dat meer en meer de groote beteekenis wordt gevoeld van de rol die de bijenteelt in het bevruchtingsproces van onze land- en tuinbouwgewassen speelt.

Suiker. Waar het gewin zoo bitter slecht was, was bijvoedering, om te kunnen overwinteren, noodzakelijk. Het Hoofdbestuur richtte zich tot de Regeering met verzoek, in den noodstand der imkers te voorzien door de verstrekking van accijnsvrije suiker. Op dit verzoek werd goedgunstig beschikt; toegestaan werd hoogstens 5 Kilo per volk. Later bleek dat deze hoeveelheid, vooral voor lossen bouw, beslist ontoereikend was, zoodat uit de Vereenniging talrijke stemmen opgingen om in het voorjaar van 1912 ook accijnsvrije suiker te mogen ontvangen.
In het najaar van 1911 werd door het H.B. totaal aangekocht 125000 Kilo suiker. Na denatureering werd hiervan aan de Afdeelingen geleverd 107000 Kilo, aan de verspreide leden 4360 Kilo en aan niet-leden 9325 Kilo. Totaal alzoo 120685 K.G. Het restant werd opgeslagen in het depót te Bennekom. De distributie der suiker baarde weinig moeilijkheden; over het algemeen liep alles naar wensch van stapel. Alleen moet het betreurd worden dat er Afdeelingen zijn die door hare verregaande nalatigheid, welke soms ontaardt in onverschilligheid, de taak van hen, die met de levering en administratie belast zijn, onnoodig bemoeilijken en verzwaren. Er zijn er o.a. die herhaalde malen moesten worden aangeschreven om de lijsten in te zenden. Eén Afd.-Secr. weigerde zelfs de door hem onder rembours bestelde suiker! Later accepteerde hij wel, maar expediteur, administratie en spoorwegmaatschappij ondervonden de onaangenaamheden van zijn grillen. Ook andere voorschriften worden niet overal met de noodige nauwkeurigheid uitgevoerd; dat zulks zeer ernstige gevolgen kan hebben, schijnt men niet te bedenken.

Markten. De slechte oogst was oorzaak dat er weinig honingmarkten werden gehouden. Wat te Nijmegen, Enschedé en Winterswijk werd aangevoerd was zeer weinig. Te Amsterdam werd tweemaal een honing- en wasbeurs gehouden, in Augustus en September. Op die van Augustus was ruim 5000 Kilo honing aanwezig, waarvan nauwelijks 1/5 werd verkocht, tegen den prijs van f 35.- à f 40.- per 50 Kilo. Over het algemeen waren de honingprijzen in het geheele land hoog. In den kleinhandel bedong men voor slingerhoning f l.- tot f 1.60 p. K.G.; voor raathoning f 1,-, voor geperste honing f 20.- p. 50 K.G.
De handel met Duitschland breidde zich uit; de prijzen voor levende korven beneden 15 K.G. is daar per half K.G. nog steeds 16 cent hooger ongeveer dan hier. Het middelpunt van den handel schijnt Beilen te zullen worden.
De wasprijzen bleven vrij constant: de ruwe was gold f 35.- à f 40.- en de gezuiverde f 70. - à f 100.- de 50 K.G.
Zwermmarkten werden o.a. gehouden te Amerongen en aan de Klomp (Veenendaal). De eerste had niet veel te beteekenen, de aanvoer bedroeg 80 stuks, waarvan weinige werden verkocht tegen hooge prijzen. Aan de Klomp werden aangevoerd ruim 2000 stuks. Besteed werd, bij vluggen handel, f 2.- à f 3,50 per stok. De Afd. Veenendaal loofde weer, als naar gewoonte, voor deze markt prijzen uit.
Najaarsmarkten werden gehouden te Blerik en Beilen, met het oog op uitvoer naar Duitschland. De bezwaren die den honinghandel aankleven, werden uit den aard der zaak dit jaar minder sterk gevoeld dan in 1910, maar weggenomen zijn ze daarom nog niet. In 1911 werd daarom eene Commissie benoemd, bestaande uit de H.H. de Grancy, Sprenger, van Duijfhuijs Beijnen, van Kemenade en van Giersbergen, met opdracht een onderzoek in te stellen naar dezen handel, om met voorstellen ter verbetering te komen. Bij het einde van 1911 was deze Commissie nog niet met haar taak gereed.

Coöperaties. De coöperatieve aankoop van benoodigdheden voor het vervaardigen van bijenwoningen nam ook dit jaar zeer sterk toe. Er zijn Afdeelingen waar van f 15.- tot f 150.- werd aangekocht, voor een groot deel uit het buitenland. Het informeeren naar buitenlandsche adressen neemt toe. In het verslag eener afd., die voor ongeveer f 700.- omzette, wordt daaromtrent het volgende gezegd:
"Dat de gemeenschappelijke aankoop de belangstelling der leden heeft, blijkt uit het feit dat de omzet gestadig toeneemt. Op de artikelen werd den leden boven vrije vracht en verpakking, een korting van 5 tot 8% toegestaan. Veel wordt er uit het buitenland betrokken. Hierdoor kunnen wij ons eenigszins onttrekken aan de misselijke behandeling, die wij wel eens van de handelaren in bijenteeltgereedschappen in ons land mochten ondervinden. Sommigen zijn zoo lief om op onderdeelen van woningen 59% opslag te rekenen . . . ."
Aan deze ontboezeming behoeft niets toegevoegd; zij spreekt in verstaanbare taal tot alle imkers. Mogen zij er hun voordeel mee doen!

De coöperatieve honingzeemerijen hadden een geringen omzet: er was geen honing. Er werden slechts kleine onbeduidende partijtjes geleverd. Het aantal van die inrichtingen bedraagt tien, n.l. . te Menaldum, Oldeberkoop, Steenwijkerwold, Barneveld, Bennekom, Gemert, St. Anthonis, St. Oedenrode, Deurne, en de Limburgsche Federatie te Valkenburg. Verder bestaan er nog vele zoogenaamde coöperaties, waar één persoon de honing voor de geheele afdeeling bewerkt en verkoopt, om daarna af te rekenen. Is die persoon een vertrouwd en eerlijk man, dan gaat alles goed en worden uit deze toestanden dikwijls echte coöperatieve zeemerijen geboren. Maar ook hier is kaf onder het koren! Er zijn afdeelingen die er de nadeelige gevolgen al van hebben ondervonden. Zoo licht wordt, naar de leveranciers meenen, meer op eigen voordeel gelet, dan op het recht van anderen. De gevolgen zijn ruzie, onderlinge verdeeldheid, tegenwerking, afscheiding en zelfs splitsing van de Afd. Wanneer de Honingcommissie met haar arbeid gereed is, ligt hier vermoedelijk voor haar een terrein braak, om de organisatie van de coöperaties op gezonden basis te regelen. Niet alleen wordt de honinghandel gefnuikt door personen die buiten de Vereeniging staan, maar er zijn ook leden die het spreekwoord in toepassing brengen: "Het hemd is nader dan de rok". Mogelijk dat deze leden wel het hardste schreeuwen over de tyrannie der honinghandelaars van beroep.

Afdeelingen en Ledental. Let men op den onbeduidenden inhoud van sommige jaarverslagen van Afdeelingen, en tevens op het feit dat de meeste eenvoudig geen verslag zenden, hoewel de Statuten er toe verplichten, (slechts 25 van de 73 Afd. zonden een verslag), dan zou men de conclusie kunnen trekken dat het vereenigingsleven kwijnt. Men schijnt alleen onderlinge bijeenkomsten te kunnen houden als de suikerlevering aan de orde is (en dan ook nog niet altijd), of als de leeraar een spreekbeurt vervult, al zijn er gelukkig gunstige uitzonderingen.
Zal er heil kunnen worden verwacht van het vereenigingsleven, dan dienen in de eerste plaats de afd. besturen geregeld voeling te houden met de leden; de kracht der Ver. zetelt in de werkzaamheid der Afd. Ter illustratie, hoe men zich er met het uitbrengen van een verslag afmaakt, een paar voorbeelden: De secr. eener afd. schrijft:
"Wat betreft het jaarverslag, hierover kan ik U meedeelen dat de toestand onzer Afdeeling een heel beetje te wenschen overlaat, vooral wat aangaat het bezoek der vergaderingen, hetgeen nogal te wenschen overlaat . . .” Dit is het heele verslag.
Een ander schrijft enkel: "De werkzaamheden der Afdeeling zijn gering en niet veel verslag over uit te brengen. Twee keer vergadering gehouden en één keer een lezing. Verder is de Afd. eenige leden sterker geworden en begint losse bouw meer ingang te vinden . . .”

Gelukkig heeft het H.B. besloten voor het vervolg vragenformulieren aan de Afd. te zenden, ten behoeve van het jaarverslag, waardoor zeker een beter overzicht van het geheel en zijne onderdeden zal worden verkregen. Ook voor de ledenlijsten, waarin tot heden niet de minste eenheid is te bespeuren, wat vooral voor de verzending groote bezwaren oplevert, zullen dit najaar voor het eerst formulieren ter invulling worden toegezonden. Misschien komt dan tevens een eind aan de verkeerde gewoonte, welke de Vereen. op financieele offers komt te staan, om de ledenlijsten niet op den gestelden tijd in te leveren.

Het aantal Afdeelingen bedroeg op 31 Dec. j.l. 77, met een totaal aantal leden van 4208. Eene vermeerdering alzoo van 10 Afd. en 562 leden. (Op 31 Dec. 1910 resp. 67 en 3646). Tegenover dezen aanzienlijken vooruitgang valt gelukkig geen enkele afd. te boeken die werd opgeheven, maar wel kan er de verblijdende mededeeling aan worden toegevoegd dat sedert Januari 1912 alweer 15 nieuwe afd. werden opgericht, met totaal 579 leden, zoodat de Vereen. op dit oogenblik telt 92 afd. met 4887 leden.
Er is alle hoop dat we dit jaar de 5000 zullen bereiken. (Na 1 Jan. j.l. traden de volgende afd, toe: Leiden, Ruinen, Oosterhout, Tubbergen, Oss, Hall, Hoog-Zuthem, Denekamp, Ootmarsum, Ommen, Coevorden, Musselkanaal, de Wijk, Meerloo en Uden.) Uit deze opgave blijkt dat de Vereen. vooral terrein heeft veroverd in de provincie Overijsel, waar niet minder dan 5 afd. werden opgericht. Ook Drenthe, met 3 nieuwe afd., geeft meer teekenen van leven, terwijl we in Groningen meer vasten voet beginnen te krijgen.

Hoofdbestuur. Bij de periodieke verkiezing werden de H.H. Fr. Netscher en T.C. Hootsen vervangen door de H.H. A.M. Sprenger te Maastricht en W.J.M. van Kemenade te Gemert; beiden namen in het H.B. zitting. Vergaderd werd 4 maal te Utrecht.

Algemeene vergaderingen. De beide gewone alg. vergaderingen, in Mei en December, waren druk bezocht. De meeste afd. werden er door een afgevaardigde vertegenwoordigd. De verslagen dezer vergaderingen werden in het Maandblad opgenomen.

Tentoonstellingen. Aan de Afd. N. Z. Beverland en aan het Genootschap voor Landbouw en -Kruidkunde te Utrecht werd door het H.B. eene subsidie verleend, resp. voor de tentoonstelling te Goes en te Amersfoort. Door het heerschen van mond- en klauwzeer gingen evenwel deze tentoonstellingen niet door, en verviel daarmee de verleende subsidie.
Deelgenomen werd aan de tentoonst. van het Hotelwezen en Voedingsmiddelen te 's Hage, wat voor onze vereeniging op een fiasco uitliep. De ingezonden honing bleek zelfs bij het einde der tentoonstelling voor het grootste gedeelte verdwenen te zijn, zoodat de vereen. de inzenders moest schadeloos stellen. Een der inzenders vroeg vergoeding voor zijn honing à f 2.50 per Kilo!
Verder werd honing gezonden naar de tentoonstelling te Glasgow, wat ook een mislukking is geweest. Evenals in den Haag moest de Vereen. ook hier de inzenders de schade vergoeden, die geleden werd doordat het gezondene, voor zoover niet verkocht, spoorloos verdween. Aan de inzenders in den Haag werd vergoed f 30.74 en aan die te Glasgow f 32.37½.

Examen. Aan het examen namen twee candidaten deel. Slechts aan één, den heer Claessens te Sibbe, kon de Commissie het diploma uitreiken. Het werd afgenomen te Bennekom en duurde voor elk der candidaten 2 dagen; de eerste dag practisch en schriftelijk, de tweede dag mondeling.

Bibliotheek. Van deze instelling wordt door de leden een dankbaar gebruik gemaakt. Tegen 62 zendingen met 434 boeken in 1910 werden in 1911 in 74 zendingen 552 boeken ter lezing verstrekt. Alzoo een vermeerdering van 12 zendingen met 118 boeken. Opmerkelijk, dat van deze 552 boeken 426 in onze taal waren. Duitsche werken werden gevraagd 96, Engelsche 21 en Fransche 9. Wie de bibliotheek kan steunen met Nederl. werken over bijenteelt, verplicht daarmee niet alleen den bibliothecaris, maar vooral een uitgebreid getal lezers. Nog altijd is het niet mogelijk aan alle aanvragen om boeken in onze eigen taal te voldoen! De bibliotheek kwam door schenkingen in het bezit van 8 werken, waaronder 4 jaargangen van "De Bieënvriend", door aankoop verkreeg zij er 28. Totaal telde de bibliotheek op 31 Doc. j.l. 485 deelen, waarvan de meeste staan vermeld in het Jaarboekje van 1911, waarvan aan het Bestuur van elke Afd. een gratis exemplaar voor het archief werd toegezonden. Belanghebbenden kunnen dus bij den secretaris hunner Afd. de boekenlijst raadplegen, alsmede de voorwaarden vernemen waarop de uitleening geschiedt.

Maandschrift. Het Maandschrift werd met 4 pag. per nommer uitgebreid en van 16 op 20 pag. gebracht. Voor de meeste leden is het nog steeds de eenige vaklitteratuur en daarom ware het wenschelijk dat meerderen den Redacteur steunden dan tot heden het geval is, om het Maandschrift tot zijn recht te doen komen. Men laat te veel er den Redacteur alleen voor staan.

Leeraar. Van 98 aangevraagde lezingen en 34 practische lessen werden er resp. 41 en 8 gegeven. Toch nog een respectabel aantal. Reeds meermalen werd er op gewezen dat aan alle aanvragen onmogelijk kan worden voldaan. Hulp is dringend noodzakelijk, te meer waar het aantal afdeelingen, verspreid over het geheele land, de 100 nadert, en elke afd. gaarne per jaar een lezing en een practische les heeft. Gezwegen nog van sommigen die er 2 of 3 durven aanvragen, of den leeraar willen zien optreden als leider van een cursus. Gebrek aan deskundige leerkrachten laat zich meer en meer voelen, niet het minst bij het oprichten van cursussen.

Financieele toestand. Door de zeer belangrijke stijging van het ledental konden de jaarlijks meerder wordende, doch onvermijdelijke uitgaven worden bestreden. Toch bleek het noodig, alleen ter wille van de kosten, voorloopig de 2e Alg. Vergader. in December van de begrooting voor 1912 af te voeren. En wanneer de hoogst noodzakelijke uitbreiding van het onderwijs door middel van cursussen, practische lessen, lezingen, enz., tot stand zal komen, is allereerst versterking van de inkomsten der vereeniging noodig.
De ontvangsten over 1911 beliepen, met inbegrip van het batig saldo over '10 ad. f 334.65 en f 160.- bijdrage van niet-leden in de suikerlevering f 6689.21 en de uitgaven f 6491.65½ , waarvan f 2854.61½ voor den leeraar. Het batig saldo bedraagt f 197.55½ .
Ten slotte brengt ondergeteekende dank aan allen voor de ook in het afgeloopen jaar ondervonden steun en medewerking.
De Secretaris, B. WIGMAN.

De zinsnede in zake den aankoop van bijenteelt-artikelen lokt van de zijde van de heeren Beil en Esmeijer protest uit, omdat in een officieel stuk, opgesteld door den secretaris van de Vereeniging, zulke krasse bewoordingen worden gebruikt tegenover handelaren.
De secretaris toont aan dat het niet zijn zijne beschouwingen, maar dat het eene aanhaling is uit een der verslagen van een secretaris van een der afdeelingen. Hieruit ontsponnen zich besprekingen waaraan ook andere afgevaardigden deelnamen, wat den afgevaardigde van de Berkelstreek aanleiding gaf eene motie voor te stellen, luidende: "de vergadering, gehoord de aanhaling van den secretaris, constateert, dat de gewraakte uitdrukking niet is de meening van den secretaris, noch van het Hoofdbestuur, noch van de algemeene vergadering, gaat over tot de orde van den dag."
Met 75 stemmen vóór, 48 tegen en enkele onthoudingen wordt deze aangenomen en het verslag voor 1911 voor kennisneming goedgekeurd.

Rekening en verantwoording van den Penningmeester
over 1911.


Nagezien en accoord bevonden door ons, gecommitteerden der Afd. Berkelstreek en Heerde, den 2 Mei 1912.
(w.g.) Kingma
(w.g.) Westenberg.

Het rapport van de Commissie, belast met het nazien dezer rekening en verantwoording, wordt bij monde van den heer Kingma uitgebracht, strekkende deze goed te keuren en den penningmeester te ontslaan van zijn geldelijk beheer over 1911, onder dankbetuiging; wat door de vergadering wordt goedgekeurd.
De afdeelingen Wamel en Doetinchem worden aangewezen de rekening over 1912 na te zien.

De secretaris van de honig-commissie, de heer van Giersbergen., leest daarna voor een uittreksel uit het rapport dier commissie, die zich ten doel heeft gesteld een zoo goed mogelijk beeld te krijgen van de totale productie van honig en was in Nederland, den aard van het product, de prijzen en de wijze van afzet en afzetgebieden.
De commissie deelt tot haar leedwezen mede dat de gegevens, noodig voor haren arbeid, zeer moeielijk te verkrijgen zijn geweest. Met veel moeite en kosten heeft zij weinig en dan nog zeer gebrekkige gegevens ontvangen, welke zeer moeielijk te bewerken waren.
Op goede gronden mag worden aangenomen dat bij een middelmatigen oogst 700.000 K.G. pershonig en 120.000 K.G. tafelhonig geoogst kunnen worden.
Het is de commissie niet mogelijk te vermelden welke hoeveelheden van een bepaalde soort gewonnen worden, evenmin de juist begrensde streken aan te geven waar zij voorkomen.
Omtrent de qualiteit van den inlandschen honig kan met gerustheid gezegd worden, dat die voor geen enkele buitenlandse soort behoeft onder te doen, uitgezonderd voor de koekbakkerij, waar Bretagne-honig verkozen wordt boven den inlandschen, wegens zijn sterker aroma.
Alleen moet de commissie wijzen op de mishandeling die de honing in sommige deelen van het land ondergaat.

Volgt eene beschouwing over de prijzen, die in de verschillende provinciën voor honig bij inkoop wordt uitbetaald en waaruit blijkt dat die in het noorden van het land aanmerkelijk hooger zijn dan in het zuiden, wat toegeschreven moet worden aan bereiding en behandeling, en doordien aldaar meer groote hoeveelheden worden verkregen van een kleur, geur en smaak, die meer gezamenlijk geperst worden. In het zuiden perst elk zijne geringe hoeveelheid, waardoor deze drie zaken zoo uiteenloopen en voor den handel en het gebruik minder waarde krijgt.
Over den aankoop en het afzetgebied heeft de commissie veel vernomen wat dringend om verbetering vraagt.
De fouten, die den honighandel aankleven, zijn de onderlinge sterke concurrentie, die de ijmkers elkander onderling aandoen; wel zijn de toestanden beter in de streken waar honigmarkten zijn opgericht, maar het koopend publiek is gewoonlijk van de wijze van verpakking niet gediend, zoodat de beste inrichtingen tot nog toe zijn de coöperatieve vereenigingen. Deze hebben in den laatsten tijd, op raad van de commissie, minimum prijzen vastgesteld voor de verschillende honigsoorten.
Voor den pershonig is het afzetgebied gewoonlijk de koekbakker, terwijl in de maanden September en October de tafelhonig door den verbruiker wordt opgezocht, terwijl deze na dien tijd wordt aangewezen op de winkels en wat hen daar voor honing wordt aangeboden, heeft dikwijls met bijen en bloesem niets uit te staan.
Van de honigmarkten en coöperatieve vereenigingen gaat geen stuwende kracht uit, zoodat het honigvraagstuk flink onder de oogen moet worden gezien en de commissie is daarom tot de volgende punten gekomen:

1e. dat tengevolge van de onvoldoende samenwerking der ijmkers, kleur, geur en smaak van den pershonig te veel verschillen, dan dat hij regelmatig voor de bakkerij gebruikt kan worden;
2e. dat de bakkershonig, door de onvoldoende samenwerking van de ijmkers, in te kleine partijtjes wordt aangeboden, waardoor de groothandelaar geen directe notitie van dit artikel kan nemen en de honig eerst bij de handelaren moet zijn geweest om aan de beurs verhandeld te worden;
3e. dat wegens niet genoegzame samenwerking der ijmkers, de inlandsche bakkershonig slechts een korten tijd des jaars verkrijgbaar is;
4e. dat wegens de onderlinge concurrentie, de prijzen van den tafelhonig enorm gedrukt wordt
5e. dat het publiek geen enkele waarborg heeft, dat het voor zijn geld echte honig koopt;
6e. dat de afdeelingen van de vereeniging voor bijenteelt en andere lichamen, niet bij machte zijn eene voldoende reclame te maken voor den honig;
7e. dat geen der genoemde lichamen op het gebied van de bijenteelt, bij machte zijn den strijd tegen de vervalschingen en kunsthonig aan te binden en vol te houden.

De commissie, belast met het onderzoek naar den handel in bijenteeltprodudten acht het wenschelijk dat overgegaan worde tot oprichting van een handelskamer, waartoe de bestaande coöperatieve vereenigingen voor honig- en wasverkoop, zich reeds bereid hebben verklaard en waarbij de andere afdeelingen door oprichten van dergelijke vereenigingen, zich onmiddellijk kunnen aansluiten.

Dat verslag gaf aanleiding tot velerlei op- en aanmerkingen waarvan de grondtoon was, dat de zaak lang niet genoeg was uitgewerkt om daaromtrent heden enige beslissing te kunnen nemen, zoodat werd verlangd, dat de commissie zoude doorgaan met hare werkzaamheden en wanneer de zaak ver genoeg gevorderd is, hiervan verslag zal worden uitgebracht in het maandschrift, met bijvoeging van ontwerp-statuten voor een handelskamer, opdat de zaak in de vergaderingen van de afdeelingen zal kunnen besproken worden, om dan zoo noodig eene afzonderlijke vergadering zal kunnen gehouden worden, om tot een besluit te komen.
Enkele afgevaardigden wenschten dat de handelskamer een instelling zou worden met een directeur aan het hoofd, die honig verhandelde, terwijl de honigcominissie de coöperatieve vereenigingen zelfstandig wil laten werken. Ook werd in overweging gegeven, liever te trachten een honig-proefstation op te richten.
Besloten werd hare werkzaamheden te doen voortzetten, nu deze zich de gehouden besprekingen ten nutte zal kunnen maken.

De stemming voor de drie te kiezen leden van het Hoofdbestuur maakte uit, dat gekozen werden voor voorzitter, Baron G. de Grancy, met 128 (algemeene) stemmen; voor ondervoorzitter, de heer Kingma, met 98 stemmen, en als lid, de heer van Duijfhuijs Beijnen met 74 stemmen.