Samenkomst van ijmkers uit de drie Noordelijke provinciën te Assen.

De ruimte laat niet toe hierover uitvoerig te berichten. We zullen daarom de kortheid moeten betrachten. Vooraf willen we het feit constateeren, dat er iets gaande is onder de ijmkers; er is beweging. Dit spruit natuurlijk ergens uit voort. Er is wat in de geesten aan het werk en zoo langzamerhand nadert de tijd, dat uit die werking iets geboren wordt. Hoofdzaak is nu maar, dat de stroom in goede richting wordt geleid.

Vertegenwoordigd waren alle afdeelingen uit de drie Noordelijke provinciën. Als ik den toestand zal teekenen, naardat die zich aan mij voordeed, was de houding van Groningen het meest beslist, Drenthe wijfelend en niet ééndrachtig, Friesland gereserveerd.
De heer H.J. v. Dijken zou de vergadering leiden, daar evenwel een lid van het H.B., de heer N.A.F. van Duijfhuijs Beijnen aanwezig was, werd hem verzocht dit te doen, wat hij aanvaardde en tot aller genoegen verrichtte. De heer Poel leidde de zaak in. De strekking zijner inleiding was een vereeniging onder de Noordelijke afdeelingen te stichten, met de bedoeling dat deze zal trachten de honigverkoop in andere banen te leiden, opdat des ijmkers arbeid beter zal worden beloond. Thans komt de winst in handen van menschen die er weinig of niets voor deden en bovendien niet de risico hadden van een slechten oogst, de z.g. handelaars. Deze categorie moet in de ijmkerij verdwijnen; maar daarvoor is noodig "samenwerking".

Door de slechte uitkomsten lijdt het vak, wat blijkt uit den schromelijken achteruitgang der bijenteelt. De honig-koopman heeft voor een groot deel de schuld op zijn rekening. Hij heeft het publiek afkeerig gemaakt van den honig. Door zijn vervalschingen heeft hij wel is waar zijn eigen nering de deur uitgedreven; maar ook de bijenteelt niet te schatten schade toegebracht. De honighandelaars moeten daarom ten slotte verdwijnen.

“In het najaar van 1910 schreef de afd. Groningen een verkooping uit van 6 à 7 honderd vette bijen, de termijn van inschrijving verliep, maar geen enkel billet kwam in. De handelaars wisten dat er een vergadering van leden zou worden gehouden waar omtrent de gunning zou worden besloten. Toen waren ze er, en zelden heb ik, aldus de spreker, menschen zoo onbeschoft zien optreden als op die vergadering de honighandelaar. Ze schreven toen nog wel in, maar tegen zulke lage prijzen, dat niemand eraan dacht te gunnen. De honig kregen ze niet, maar den gemeenschappelijken verkoop hadden ze verijdeld.
Een ander staaltje: een ijmker perst zelf in het najaar van 1910 en verkoopt zijn pershonig aan een handelaar in bakkersartikelen; een honigkoopman komt dit te weten en biedt den ijmker 2½ cent per pond commissie-loon, wanneer die even een partij van zijn maaksel er bij wil doen. De ijmker was eerlijk en ging er niet op in.”

De spreker schrijft den invoer van goedkoopen honig voornamelijk hieraan toe, dat in andere landen de suikeraccijns laag is of heelemaal niet bestaat. De ijmkers kunnen daar met suiker heel wat doen. De suiker staat onder een hoog, honig onder een laag invoerrecht in ons land. Suiker wordt op die wijze als honing ingevoerd. Daarom zou hij willen dat hierop gestreng werd toegezien en zoo mogelijk, z.g. honig van suiker afkomstig, als suiker werd belast.
Spreker wenscht de Noordelijke ijmkers te vereenigingen om tegen al deze dingen front te maken en ook voor den inkoop van de verschillende zaken te zorgen; zoo ook de gedenatureerde suiker, die thans veel te vroeg moet worden besteld, n.l. op een tijd als op geen stukken na over de hoeveelheid te oordeelen valt en dan nog veel te laat wordt ontvangen. Indien voor de Noordelijke ijmkers de suiker aldaar werd besteld, zou later de benoodigde hoeveelheid kunnen worden opgegeven en ze eerder worden ontvangen.
Ten slotte sprak de spreker uitvoerig over het oprichten eener coöperatieve zeemerij voor de Noordelijke provinciën. Evenwel voelde hij zeer goed, dat hiervoor de tijd nog niet rijp is; maar was zijn overtuiging, dat in die richting de opleving moet worden verwacht.

In het volgende debat werd voornamelijk over deze kwestie gesproken. Hier bleek, dat zij, die hun honing aan Duitschland leveren, voor de oprichting van zoo'n zeemerij vooreerst geen ooren hebben.
Anderen opperden andere bezwaren en stonden de oprichting van kleine zeemerijen voor, die in gelijke richting en zoo veel mogelijk eendrachtig werken.
Toch waren er die voor de oprichting eener groote zeemerij warm pleitten.
Intusschen werd begrepen dat eerst moet worden gewacht wat de honigcommissie zal doen. Komt deze met voorstellen die de zaken in gewenschte en goede richting zullen leiden, dan zal verdere samenwerking van het Noorden afzonderlijk niet noodig zijn. Een commissie werd benoemd om hierover, na afloop der algemeene vergadering te Utrecht, te besluiten.

H. Stienstra