Nog eens averechtsche liefde.
De heer B. zoekt in zijn repliek op het entrefilet in het voorgaande Maandschrift, met bovenstaand opschrift, schuil te gaan achter beleediging, groote woorden en draaierij.
Beleediging door zoo tusschen de regels door te zeggen, dat bij ondergeteekende ook maar eenigermate menschenkennis aanwezig is en wel en nu volgen de groote woorden, omdat, zoo die menschenkennis aanwezig was, hij zou moeten verstaan, dat:
“De eer een heilig goed is, die moet iemand hoog houden en verdedigen, ten koste van alles. Elk mensch moet haar bezitten en eerbiedigen, dus vooral niet verwaarloozen, want zij is iets goddelijks in den mensch, dat hem van nature ten deel valt en die hij dus niet behoeft te verwerven. Wie weet, dat God den mensch naar zijn beeld geschapen heeft, die zal aan deze eer ook genoeg hebben en niet trachten, haar anderen te ontrooven."
Juist omdat de heer B. de eer der Vereeniging voor bijenteelt aantast, door het voor te stellen alsof die Ver. er op uit is zich in het verschaffen van accijnsvrije suiker een verdienste toe te kennen, die haar niet toekomt, wat ik de voorgaande keer bewees een leugen te zijn, juist daarom werd het entrefilet geschreven. Hoe kan nu iemand zulke groote woorden schrijven, wiens toeleg eerrooverij is? Enkel, om met groote woorden zijn lezers te overbluffen.
Draaierij. De heer B. spreekt op 't eind van zijn schrijven over liefde voor de bijenteelt en vestigt daardoor den indruk, alsof het in mijn entrefilet daarover ging. De heer B. weet zeer goed, dat het ging over liefde voor de Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland. Zulk gedoei wordt uitgedrukt door 't woord draaierij.
Met lieden, die aldus doen, is niet te repléceeren.
H. Stienstra.