Aan den heer Beil.


De heer Beil schrijft in zijn blad, dat hij niet meer wenscht in te gaan op de persoonlijke aanvallen van den heer S. Ik vind dat uitnemend, omdat het toch tot niets goeds leidt, alleen zij de heer B. herinnerd, dat niet ik den aanvaller was. 1
Verder zegt hij het te betreuren dat de Red., tegen beter weten in, onweersproken heeft gelaten berichten betreffende imkersbenoodigdheden, die, volgens den heer Beil, onwaarheden, om niet te zeggen leugens waren, waaraan het z.i. alleen te wijten is dat deze tevens in het jongste jaarverslag werden opgenomen.

Wat het laatste betreft kan ik den heer Beil verzekeren dat hij zich volkomen vergist, ook zou ik het kunnen bewijzen!

Wat betreft het eerste, zij hem verwezen naar pag. 220 voorgaande jaargang (nov. ’11), waar de bedoelde berichten, de honingslingerkwestie, worden weersproken, naar aanleiding van een schrijven van den heer Beil van 7 Nov., waarbij deze het aan mijne prudentie overliet, hiervoor van zijn schrijven gebruik te maken, welk schrijven aldus werd ingeleid: "Hoewel ik mij overtuigd houd, dat U het algemeen belang wenscht te dienen door mij aan te raden, noch er op aan te dringen, dat mijn stuk (een ingezonden stuk) geplaatst wordt, noch op de zaak verder in te gaan."
Het eindigt aldus: "Ik verzoek U mijn ingezonden stuk mij te willen terugzenden en ik laat het aan uwe prudentie over, in hoever U de foutieve mededeeling van den heer F. in het Maandschrift wil rectificeeren.”

Op bladz. 220 heb ik den inhoud van 's heeren Beil schrijven teruggegeven. Ik heb toen in een noot daaraan toegevoegd, dat hierop slechts zakelijk zou kunnen worden gereageerd.
Toen de heer Beil mij dus later weer een ingezonden stuk zond in gelijken geest als het eerste, moest hij weten dat ik zou weigeren het op te nemen, ik wil hier nu maar geen veronderstellingen aan vast knoopen, die echter wel zijn te maken.

Intusschen houd ik me nog steeds bij mijn woord, dat er voor zakelijke gedachtenwisseling in het Maandschrift steeds plaats is, zoowel voor den heer Beil als voor leder ander lid onzer Vereeniging.

De Red. : H. STIENSTRA.