Werkzaamheden in Augustus - September.


Augustus - September sluiten de rij der maanden weer van dit jaar, welke onze bijtjes gelegenheid geven van de bloeiende velden hun voorraad op te doen. Na half Sept. kan men alleen bij hooge uitzondering nog eenige dracht van beteekenis verwachten. Vroeger had men hier de late spurrie, die nog menigmaal van een zwak volkje een goede ? opzetter maakte. Doch spurrie wordt in deze streken weinig meer gezaaid. Voor de Septembermaand was de Phacelia een prachtig gewas, doch 't schijnt er over 't algemeen nog niet in te willen.

In deze streek hebben de bijen in de tweede helft van Juli nog weer goed gemaakt, wat ze de vorige maanden verzaakten. De klaver is hier buiten verwachting nog weer prachtig gaan bloeien. Ook de linde heeft een flinke oogst gegeven en dopheide bloeit rijker dan ooit te voren. Zoo dit gunstige weer nog een tijdje aanhoudt, zal de heideimker ook tevreden kunnen zijn.
Waar de bijen naar de heide zijn, kan men nu zijn bijenstal eens goed nazien. Alles wat daaraan in 't ongereede is geraakt, wordt nu in orde gebracht.
Volken, die op de heide staan, worden zoo mogelijk geregeld, b.v. eens in de acht dagen opgezocht om te zien of men ook ruimte voor honigopberging moet geven, of dat er, als er geen dracht is, gebrek aan voer mocht komen.

Waar om dezen tijd de darren nog niet afgedreven zijn, onderzoeke men op moerloosheid, en mocht dit 't geval zijn, dan vereenige men ze zoo spoedig mogelijk met een andere, anders worden ze een prooi van roovers.
In deze maanden zoekt men ook zijn opzetters uit. Zorgt daarvoor zooveel mogelijk die te nemen, waarin een één-, hoogstens tweejarige koningin is. Oudere bijenkoninginnen neemt men liefst niet mee in den winter, daar zij niet alleen in legkracht verminderen, maar ook in den winter kans geven op moerloosheid. Alleen als de koningin de moeder is van een uitgezocht teeltvolk, is een langer aanhouden gewettigd.

In streken, waar in den nazomer geen dracht is, voert men in Augustus, September de bijen bij kleine hoeveelheden, om ze tot een matige broedaanzet aan te sporen. Men krijgt dan niet alleen sterke volken, maar ook veel jonge bijen in den winter, waardoor we 't volgend voorjaar een grooten voorsprong hebben. Ook als de heidedracht mislukt, zal men in deze maanden de bijen nog weer aanporren.
Met suiker kan men het om dezen tijd van 't jaar een heel eind brengen. Stuifmeel is er in den regel nog voldoende.

Vaste bouw. De korf-imker zorgt bij goede honigoogst dat de bijen op tijd ruimte krijgen. Ook voor de volken, waar men mee naar de heide gereisd is, heeft men een voldoenden voorraad opzetranden klaar. Alleen bij bijzondere honigrijke jaren zullen velen geen materiaal genoeg hebben. 't Is dan ook een feit, dat de bijen soms in gaten in den grond, onder den korf, hun voorraad opbergen. Wee hem, die dan zijn volken later behandelen moet.
De vaste bouw-imker zoekt in den regel na ’t einde van de dracht zijn opzetters uit. Veel imkers hebben echter reeds lang vóór den tijd hun plannen gemaakt en de korven uitgezocht, waarop men zijn hoop voor 't andere jaar vestigt.
Vlijtige volken, die vooral fijn werk maken en regelmatig in den korf bouwen zijn de gewenschte, als ze daarbij een gewicht van 25 à 30 pond bereiken.

Losse bouw. De losse bouw-imker stelt aan zijn volken, die hij voor overwintering in aanmerking laat komen, in den regel nog meer eischen dan zijn collega met ronde korven. Hij ziet niet alleen naar een goeden wintervoorraad op de rechte plaats, maar ook naar de hoedanigheid der koningin. Waar het broednest gesloten is, kan men op een goede rekenen. Overigens zorgt ook de mobiel-imker, bij goede dracht, tijdig voor ruimte, wil hij met 't meeste oordeel werken. Is een honigkamer of sectiebak gevuld, dan zal een ledige tusschen de broed- en honigkamer geschoven, het spoedigst in gebruik genomen worden.
Tegen de heidebloei kunnen in den regel bij niet al te langramige kasten, de koninginneroosters verwijderd worden. Heeft men volken, waarmee men den winter niet ingaan wil, aan kan men ze een week vóór 't einde der dracht, met een nabijstaand volk vereenigen. Men vangt de koningin uit het op te ruimen volk en plaatst de broedkamer op die van zijn buurman, na tusschenbeide een koninginnerooster gelegd te hebben. 't Broed in de bovenste afdeeling is na drie weken uitgeloopen, waarna men die eraf nemen kan.
In deze maanden kan men ook het best koninginnen verwisselen en passe de meermalen in 't maandschrift beschreven methoden toe.
Denk om het verkleinen van 't vlieggat tegen 't einde der dracht, of als er geen honing te halen is.

We willen wenschen, dat de bijen met een goeden honigvoorraad van de heide huiswaarts keeren.

J.R. de Veldhuis.