Physiologie of natuurbeschrijving van den dar.
Parthénogenesis, naar M. Bouvier.
Dzierzon, pastoor in Silezië, heeft het eerst in 1853 vastgesteld dat de darren voortkomen uit niet bevruchte eieren.
Hij nam waar, dat de werkbijen soms vruchtbaar zijn (eierleggende werkbij), dat ze dan darreneieren voortbrengen en dat door kruising hybrieden van werkbijen, d.w.z. werkbijen, die van beide rassen iets hebben overgenomen, en darren van hetzelfde ras, als vóór de kruising ontstaan.
Dus kruising tusschen een Italiaansche dar en een zwarte (inlandsche) koningin, geeft gekruiste werkbijen en zwarte darren, terwijl een zwarte dar, gepaard met een Italiaansche koningin, gekruiste werkbijen en Italiaansche darren geeft.
Dit is de wet van Dzierzon. Ze is wetenschappelijk bewezen door Siebold in 1855. Hij onderzocht 32 darren-eieren en vond er geen spermatozoiden, bevruchtingszaad, bij. Ook Weismann verklaart, dat 300 darreneieren door een zijner leerlingen zijn onderzocht, zonder bevruchtingszaad er bij te vinden.
De wet vat Dzierzon is echter oorzaak geweest van heel wat twistgeschrijf, meestal echter gebaseerd op slecht waargenomen feiten of oppervlakkige proefnemingen. M. Pérez heeft het betwist, door te zeggen dat de darren somtijds kunnen voortkomen uit bevruchte eieren en dat men dan darren heeft van gemengd ras (bastaards). Maar dit zou moeten worden bestudeerd.
In den laatsten tijd is Dzierzon's theorie aan het wankelen gebracht door Dickel. Wij willen hier het pro geven van Dzierzon's theorie, misschien dat daardoor een ander opgewekt wordt, het contra te geven en dus Dickels leer verdedigen.
Darren kunnen in vijf gevallen worden voortgebracht:
1. Door bevruchte koninginnen.
2. Door verkleumde of gekwetste koninginnen.
3. Door oude koninginnen.
4. Door jonge, niet bevruchte koninginnen.
5. Door eierleggende werkbijen.

1e Geval. Alle bijenhouders stemmen toe, dat de koningin gewoonlijk de werkbij-eieren in de kleine cellen en de darren-eieren in de groote cellen legt. Zij legt dus naar willekeur darren- of werkbij-eieren: dit is de tweede wet van Dzierzon.
Men heeft tegen dit tweede gedeelte eenige bewijzen willen tegenoverstellen.
Root neemt de darrenraat uit een volk weg en zegt dat de koningin slechts werkbij-eieren legt. Dit feit, dat niets bewijst, zou eerder ten gunste van Dzierzon's wet pleiten en het is waarschijnlijk, dat deze proef slecht genomen is, want Drory en M. Pérez hebben in dit geval gezien dat de koningin darreneieren in werkbijcellen legde.
Indien men die werkbijcellen wegneemt, gaat het volk zwermen, of er worden zoowel darren- als werkbij-eieren gelegd.
Dadant overweegt, met de meeste andere schrijvers, dat de leg, bovenal van de bevruchte eieren, een genoegen moet zijn voor de koningin, en dat zij ze 't liefst legt in kleine cellen; een feit dat overigens niets schijnt te zeggen.
Wagner zegt, dat, als een koningin haar achterlijf in een kleine cel steekt, dit wordt samengedrukt, en dat ten gevolge van dien druk, het bevruchtingszaad het ei bevrucht. Maar de koningin, tot leggen gedwongen, doet dit vaak in raat die nauwelijks begonnen is, haar achterlijf kan er niet in samengedrukt worden en toch zijn de eieren bevrucht, evenals ook wanneer door de koningin werkbijeieren in darrencellen zijn gelegd, wanneer het achterlijf niet kan worden samengedrukt tijdens het leggen.
Dadant meent nog, dat de koningin, in de noodzakelijkheid eitjes te leggen, in de groote cellen deze onbevrucht blijven omdat ze haar pooten uitspreidt.
Hoe dit ook zei, het feit bestaat dat de koningin somtijds werkbijeieren legt in darrencellen en omgekeerd.
Volgens M. Pérez weet de koningin niet wat voor eitjes ze gaat leggen, maar ze bezit het instinct om in elke cel eitjes te leggen die er in passen; maar verder gaat haar vermogen, om te kiezen, niet.
Maar niets getuigt hier tegen de theorie van Dzierzon. De studie der Hyménoptères, een geslacht, dat aan dat der bijen grenst, geeft kostbare aanwijzingen over dit onderwerp.
M. Marhall, bij zijn onderzoekingen aangaande de wespen, heeft opgemerkt dat vanaf de lente tot in Juli, de koningin uitsluitend bevruchte werkstereitjes legt, vervolgens is de leg gemengd, en later, als de werksters verschillende cellen hebben gemaakt, legt ze er zulke eitjes in, als er in behooren. Hij besluit hieruit, dat de koningin geen mannelijke of vrouwelijke eitjes naar willekeur legt, maar dat er een oogenblik komt, wanneer haar leg sterk met mannelijke eitjes is gemengd, veroorzaakt door de betrekkelijke traagheid van haar bevruchtingszaad; Dzierzon heeft gesproken van de vermoeidheid van het sperma, bevruchtingsvocht, en zegt, dat er gedurende den rusttijd darreneitjes worden gelegd.
Bij de bij worden werkbijeitjes gelegd in de lente en darreneitjes voor het zwermen, vervolgens weer werkbijeitjes tot in den herfst. De wet van Dzierzon blijft dus nog ongeschonden, als men de vermoeidheidsleer van het sperma, bevruchtingsvocht, aanneemt.
Bij de Philanthes (bijenwolf), die hun larven van voorraad voorzien met verlamde bijen, zijn de koninginnen gewoonlijk veel grooter dan de mannetjes, de voedselvoorziening is verschillend, naar het geslacht, in de mannelijke cellen vindt men twee of drie doode bijen en in de vrouwelijke het dubbele aantal. Men kan hieruit besluiten, dat de Philanthe van te voren geweten heeft van welk geslacht het ei was.

Fabre heeft dezelfde opmerkingen gedaan bij de Tachyten en bij de Osmiën (metselbijen), voornamelijk bij Osmia tridentata (driedoornige metselbij) en tricornis.
De laatste maken haar nest gewoonlijk in struiken en Fabre is het gelukt ze te doen nestelen in glazen buizen, gewikkeld in papier, waardoor hij den inhoud der cellen kon nagaan. Hij heeft dan gezien dat de mannetjes en wijfjes bij Osmia tridentata bijna zonder orde zijn gemengd, de mannetjes talrijker omhoog. In de cellen van Osmia tricornis merkt men eerst wijfjes boven en mannetjes beneden; de kamertjes der mannetjes zijn klein, die der wijfjes groot. De moeder (koningin), dit bouwende en van voorraad voorziende, moet dus het geslacht van ieder ei weten; en het is ook niet de hoeveelheid voedsel welke het geslacht bepaalt, want Fabre heeft de voedselvoorraad der cellen gewijzigd, zonder geslachtsverandering waar te nemen. Hij heeft alleen grootere mannetjes en kleinere wijfjes verkregen. Het is dus niet de uitputting der vergaarplaats, die het geslacht wijzigt, want, door buisjes met grooten middellijn te nemen, legt de moeder slechts wijfjeseieren en in nauwe buisjes slechts mannelijke eitjes, wat in overeenstemming is met de wet van Dzierzon.
(Wordt vervolgd.)
H. Stienstra