Zuid-Afrikaansche vruchtbare Werkbijen
en Parthenogenesis.
Door bemiddeling van den heer E. Heimans, Heimans en Thijsse, Red. van "De Levende Natuur", ontving ik van den heer Dr. W.J. Leijds, den voormaligen gezant van de Transvaalsche Republiek, de Mei-aflevering 1912 van het Landbouw Journaal van de Unie van Zuid-Afrika, waarin een artikel voorkomt over Zuid-Afrikaansche "Vruchtbare Werkbijen", door G.W. Onions, bovendien een polemiek hierop, door D.S. van Warmelo.
Deze polemiek loopt over de anatomie der bijenkoningin, in verband met de parthenogenesis, en de mogelijkheid naar behoefte darren- en bevruchte werkbijeieren te leggen.
Dr. Leijds zou gaarne deze kwestie ook in een Nederlandsch orgaan besproken zien. Toevallig dat juist over hetzelfde onderwerp een artikel over parthenogenesis in 't Maandschrift voorkomt, dat reeds een paar maanden op plaatsing wachtte. Gaarne willen we aan dit onderwerp een plaats in het Maandschrift geven en de gelegenheid openen hierover ook in 't vervolg te spreken.
Groot is mijn verwachting over verdere polemiek, wat betreft dit onderwerp, niet omdat in ons land de bijenteelt weinig wetenschappelijk wordt beoefend. Ik hoop echter, dat ik mij vergis, en dat dit onderwerp voor enkelen een prikkel mag wezen om zich ook meer wetenschappelijk op het gebied der bijenteelt toe te leggen, opdat de naam van Nederland naar buiten, op bijenteeltgebied, weer in eere moge komen, als in de tijden van
Swammerdam.
De bijenteelt is in ons land lang kwijnende en achteruitgaande geweest, en werd slechts beoefend door weinig ontwikkelde lieden; thans is er eenige opleving te bespeuren en beginnen ook de meer ontwikkelden er mee: maar 't is nog slechts navolging van ‘t buitenland, voornamelijk van Amerika en Duitschland. Hoe ver zijn we er nog van verwijderd dat er weer iets oorspronkelijks te voorschijn komt?
Het artikel van den heer Onions is veel te uitgebreid om opgenomen te kunnen worden. We moeten er ons daarom wel bij bepalen, alleen de polemiek erop te geven, maar zullen daartusschen uit het eerste artikel aanhalen, wat voor het goed begrip noodzakelijk is.
De heer van Warmelo schrijft dan:
Zuid-Afrikaansche vruchtbare Werkbijen en Parthenogenesis.
Door D.S. VAN WARMELO.
In de Mei-uitgave van het Landbouw Journaal van 1912 verscheen een artikel, onder het hoofd "Zuid-Afrikaansche Vruchtbare Werkbijen", door G.W. Onions, waarin de schrijver de algemeen erkende wet van parthenogenesis bij de honingbij verwerpt, in den zin van het voortbrengen van darren en darren alleen. De schrijver blijkt goed op de hoogte van zijn onderwerp te zijn, en wij moeten derhalve zijn waarnemingen als juist beschouwen; het artikel geeft blijk van grondige kennis van de moderne bijenteelt en bijen-litteratuur, alsmede van veel ondervinding, opgedaan door de ernstige begeerte, om door eigen waarneming alle bestaande theoriën, aangaande het bijenleven, aan de werkelijkheid te toetsen. Zijn bewering komt hierop neer, dat de Zuid-Afrikaansche vruchtbare werkbij in den regel werkbijen voortbrengt, en dat darren uitzondering zijn. (*1 zie einde artikel)
Dit is zoo tegenstrijdig met alle wetenschap, omtrent de honingbij van andere landen, dat men, bij het lezen van het betreffende artikel, op het eerste gezicht geneigd is, de daarin vervatte beweringen te verwerpen, om de volgende redenen:
1. In haast ieder opzicht verschilt de Zuid-Afrikaansche honingbij zeer weinig van de gewone bij van andere landen; derhalve is het hoogst onwaarschijnlijk dat er zulk een groote afwijking zou zijn, dat daardoor alle wetenschap, betreffende de wet van parthenogeneses ten opzichte van de honingbij omver werd gegooid.
2. Uit het artikel van de heer Onions blijkt, dat hij naar de nakomelingschap van zijn koninginnen oordeelt, of dezelve nog maagden zijn. Met betrekking tot de Afrkaansche koningin blijkt hij dan de algemeen erkende wet van parthenogenosis wel te aanvaarden. Met het oog op den inwendigen anatomischen bouw van de koningin, komt het ons dan onnatuurlijk voor, dat de Afrikaansche werkbij haar nakomelingschap geheel verschillend van de koningin zou voortbrengen, wijl deze in wezen niets anders is dan een werkbij, met volkomen ontwikkelde geslachtsorganen. Het is een bewezen feit, dat alle eiers van de koningin, welke werkbijen voortbrengen, op hun weg door het eierkanaal naar beneden, door den mannelijken zaadkiem bevrucht worden, doordat dezelve in aanraking gebracht worden met een klier, verbonden aan den eierzak. De geleerden schijnen het er over eens te zijn, dat de koningin over deze klier contrôle uitoefent, en dat de bevruchting derhalve willekeurig geschiedt, d.w.z., dat de koningin darren of werkbijen naar willekeur voortbrengt. Zonder bevruchting kan een werkbij, een onontwikkeld wijfje, onmogelijk verrichten, wat zelfs een volkomen ontwikkeld wijfje, een koningin niet vermag te doen.
Bovengenoemde argumenten zijn van bloot bespiegelenden aard; zij hebben hoofdzakelijk ten doel te waarschuwen tegen de aanneming van een theorie, welke inbreuk maakt op deze fundamenteele natuurwet betreffende de honingbij, dat er zonder bevruchting geen voortplanting van het wijfje kan zijn. In Zuid-Afrika zijn er twee onderscheiden bijenrassen, de gele- en de zwarte bij. Uit het artikel van den heer Onions maak ik op, dat hij bij zijn proefnemingen de gele bij gebruikte. Zelf heb ik in Pretoria vele Italiaansche koninginnen geteeld, en, ofschoon ik wel enkele van dezelfde moeilijkheden ondervond als de heer Onions, heb ik nooit iets dergelijks aangetroffen als hetgeen door hem beweerd wordt aangaande Afrikaansche vruchtbare werkbijen. Mijn Afrikaansche bijen waren alle van de gele soort. Wellicht was het bij mij een kwestie van lokaliteit, of was het te wijten aan gebrek aan waarneming, of anders aan mijn soort bijen - hoe het ook zij, ik heb nooit zooveel last van vruchtbare werkbijen gehad, als de heer Onions; ook zag ik in een vruchtbare werkbijkolonie of nucleus (= zeer klein volk) nooit ander vergezeld broed dan darrenbroed. Ik moet evenwel toegeven dat ik vruchtbare werkbijen nooit vrij spel gelaten heb, maar dat ik mij steeds van deze plaag van de Afrikaansche ijmkerij met alle macht heb trachten te ontslaan.
In verband hiermede zou ik terloops even mijn eigen methode willen aanbevelen als de veiligste, die ik ooit zag of hoorde. Als zoovele andere bijenhouders, klaagt de heer Onions dat het zoo moeilijk is om een koningin in een vruchtbare werkbijkolonie te introduceeren (invoeren). Ik geef hem de volgende methode aan de hand, en sta er voor in dat hij zelden, indien ooit, een koningin verliezen zal, zelfs wanneer hij haar introduceert in een Afrikaansche vruchtbare werkbijkolonie.
Maak een zwerm van de kolonie door al de bijen voor een leege korf op de oude standplaats uit te schudden. Laat deze zwerm eenige uren in den korf hangen, gooi hem weer uit voor den korf, en laat de koningin, die gij wilt introduceeren, met den zwerm in een kast, voorzien van fundamentwas (kunstraat?) binnenloopen. Zelden faalt deze methode. Het voornaamste is dit, dat de bijen moeten voelen dat zij een zwerm zijn; dan zullen zij zelden toegang aan een vreemde koningin weigeren, want zwermen, vooral nazwermen, gaan dikwijls vergezeld van verscheidene koninginnen. Zoodra deze zwerm zich op zijn nieuwe koeken gevestigd heeft, zal de beste van de koninginnen en pseudo-koninginnen op den troon gezet worden, in dit geval ongetwijfeld de volkomen ontwikkelde koningin. Tevens verdiene vermelding, dat men er dikwijls niet in slaagt om een koningin op de oude standplaats te introduceeren, na de vruchtbare werkbijkolonie verplaatst te hebben, doordat sommige van de vruchtbare werkbijen allicht tot de oude standplaats terugkeeren, alwaar zij door de terugkeerende bijen nog als heerschende koningin wordt erkend en als zoodanig aangenomen.
Maar, ik keer tot mijn onderwerp terug. Bespiegelende argumenten wederleggen de theorie van den heer Onions niet. Daarvoor behoeven wij feiten. Zonder meerdere proefnemingen kunnen wij evenwel niets anders doen, dan eenvoudig wijzen op de onjuiste gevolgtrekking, en - indien die er zijn - van den schrijver in zijn eigen artikel. De waarnemingen van den heer Onions, praktisch bijenhouder die hij is, en iemand die goed bekend is met bijen en bijenhouding, zijn wij verplicht als juist aan te nemen. Met enkele woorden zal ik echter trachten aan te toonen dat zijn gevolgtrekkingen ons niet van de waarheid van zijn stelling overtuigen. Ik beweer namelijk, dat de Afrikaansche werkbij, indien het waar is dat zij werkbijen kan voortbrengen, moet bevrucht zijn door een dar - wellicht een kleinen dar - in welk geval de wet der parthenogenesis ook voor de Zuid-Afrikaansche bij geldt, want zij is dan niet meer een vruchtbare werkbij, doch een gedeeltelijk ontwikkelde koningin.
Dit feit schijnt de heer Onions over het hoofd te hebben gezien, want hij maakt er in zijn artikel geen melding van, met het gevolg dat zijn gevolgtrekkingen onjuist zijn en wel om de volgende redenen:
l. Op pagina 745 noemt hij als voorbeeld van "de bedrijvigheid van deze kleine plagen" van de Afrikaansche vruchtbare werkbij een geval, waarin een van hen een gouden-Italiaansch nest was binnengevlogen. Volgens de schrijver werd deze vruchtbare werkbij, drie dagen na verwijdering van de Italiaansche koningin, door de bijen als koningin behandeld. (*2 zie einde artikel)
Het komt mij voor, dat de werkbij, als pseudo-koningin uit haar eigen nest gevlogen moet zijn, om den dar te ontmoeten, en dat zij in het verkeerde nest terechtkwam; want het is niet waarschijnlijk dat een vruchtbare werkbij om een andere reden haar nest zou verlaten.
2. Op pagina 752 zegt de heer Onions, dat hij door voortdurenden omgang met zijn bijen, de werkbijen gemakkelijk heeft leeren kennen aan andere teekenen dan juist aan het eierleggen. (*3)
Het is den bijenhouder wel bekend, dat leg-werkbijen onderscheidbaar zijn van gewone werkbijen. Is het dan niet mogelijk, dat bij sommige van hen de latente eigenschappen van de koningin in zoodanige mate ontwikkeld zijn, dat zij, in de ware beteekenis van het woord, eenvoudig kleine koninginnen zijn? Deze verandering kan te weeg gebracht zijn doordat de werkbij in een nogal groote cel uitgebroed is, of op de eene of andere wijze in haar eerste stadia van ontwikkeling koninklijk voedsel ontvangen heeft, of anders door de bijen tot koningin werd bestemd, toen zij reeds in vergevorderden larvestaat verkeerde.
3. De gevolgtrekking op pagina 746: "Afrikaansche werkbij-eiers brengen derhalve niet doorgaans darren voort, maar over het algemeen kan men van hen zeggen, dat zij geen darren voortbrengen”, is niet logisch ten opzichte van de theorie, dat de wet van parthenogenesis niet geldt voor de Afrikaansche werkbij, maar staaft eerder mijn bewering, dat een vruchtbare werkbij, die werkbijen voortbrengt, door een dar bevrucht is. Immers heeft de heer Onions zijn proefnemingen in nuclei gedaan, terwijl toch iedere bijenhouder weet, dat een jonge koningin gewoonlijk geen darren in een zwakke nucleus voortbrengt, omdat de bijen hen dan niet noodig hebben, wijl zij niet van plan zijn om te zwermen of een koningin te vervangen.
4. Voor meer overtuigend bewijs voeren wij hier thans onze bespiegelende argumenten aan. In verband met punt (3) volgt uit het laatstgenoemde, dat een vruchtbare werkbij, die, zooals ik beweer, een onontwikkelde koningin is, niet lang kan aanhouden met het leggen van werkbijvoorbrengende eiers en niet lang leeft, en dat zij derhalve darren moet voortbrengen, zoodra de spermatozoa in haar zaadzak haar levenskracht verliezen. Dit is dan ook, volgens den heer Onions, werkelijk het geval, want op pag. 748 zegt hij: “De verslapping in de werkzaamheid van werkbijen gaat gepaard met het verschijnen van enkele kleine darren.”
5. Ook volgt uit mijn laatste punt, dat een leg-werkbij-kolonie dikwijls aanhoudt met het bouwen van vervangcellen, omdat de bijen vanzelf gevoelen, dat de bevruchte werkbij, of werkbijen, haar de krachten beginnen te falen. Dit is dan ook herhaaldelijk het geval geweest bij de proefnemingen van den heer Onions, zelfs wanneer de bijen de koninginnen, die zij uitbroeden, bleven dooden, vermoedelijk door de aanwezigheid van de al dan niet bevruchte, heerschende leg-werkbijen. De koninginnecellen, die de bijen met zooveel volharding blijven bouwen, zijn, dunkt me, eenvoudig vervangcellen.
Dit zijn mijn hoofdargumenten tegen de theorie van den heer Onions; en beschouwd in het licht van zijn ontdekking, blijkt het, dat er heel waarschijnlijk geen sprake is van het stelen van eiers door eier- en larvelooze kolonies, en dat vruchtbare werkbijen in andere landen somstijds - wellicht dikwijls - eveneens bevrucht worden en daarom koninginnen vermogen voort te brengen, voor de instandhouding van het ras. Dan is dit een geval van atavisme, dat bij de hoogere insekten niet meer zoo vaak voorkomt.
Ter opheldering van deze zaak zal het artikel van den heer Onions heel waarschijnlijk aanleiding zijn tot meerdere proefneming, ook in andere landen, waar er in verband met zoogenoemde vruchtbare werkbijen nog zoo veel onverklaarbaars is.
"Harmony”, Pretoria, Mei 1912.
-------
(*1.) “Een andere stelling in de bijenwetenschap is, dat eiers van leg-werkbijen alleen darren voortbrengen. Deze regel geldt niet voor de Afrikaansche bij.
Afrikaansche werkbij-eiers brengen darren voort of brengen er geen voort. Zoo redeneerde ik aanvankelijk, totdat ik daaromtrent mijn vermoedens kreeg. Ik had steeds getracht de waarheid van de stelling, dat alle werkbij-eiers darren voortbrengen, met feiten te staven, maar kan slechts dit met zekerheid zeggen, dat er slechts nu en dan een dar voortgebracht wordt in een legwerkbijennest. Afrikaansche werkbij-eiers brengen derhalve niet doorgaans darren voort, maar over het algemeen kan men van hen zeggen, dat zij geen darren voortbrengen."
Werkbij-eiers komen echter wel uit, en om dit te bewijzen, korfde ik koninginlooze bijen op schoone koeken in, waar zij eiers voortbrachten, die afzonderlijk hoopsgewijze uitbroeden. Het is kenmerkend van vruchtbare werkbijen, dat zij verscheidene eiers in één cel leggen, zoodat het een heel gewoon verschijnsel is, dat er vier of vijf kleine larven samengeschoold in één cel liggen, totdat zij grooter geworden op één na alle door de bijen worden verwijderd. De meeste van deze eiers komen niet uit, en die welke wel uitbroeden, zijn gewoonlijk zoo maar op goed geluk af gekozen, want in den regel verzorgen de bijen in een legwerk-bijennest haar jongen niet zoo goed, ofschoon ik wel jong broed van legwerkbijen gezien heb, dat alleen een deskundige van dat van een koningin zou hebben kunnen onderscheiden. Ik heb tal van legwerkbij-kolonies gehad, waarvan elkeen eiers voortbracht, die uitbroeden, terwijl de bijen, die daarvan kwamen, bijna altijd werkbijen waren. Men komt zoo gemakkelijk tot de gevolgtrekking, dat indien van werkbij-eiers werkbijen zich ontwikkelen, zij ook koninginnen moeten kunnen voortbrengen. Ik zelf heb tientallen gevallen waargenomen, dat deze gevolgtrekking juist is.
(Onions.)
(*2.) ik bracht een raam met bijen en de koningin van een van mijn gouden Italiaansche kolonies in een observatiekast over om op de tentoonstelling van Rosebank te brengen. Den volgenden dag zette ik het raam in de kast terug, maar nam de voorzorg om de koningin in een pijpdopkoninginnekooitje te beschermen. Den daarop volgenden dag liet ik de koningin vrij; zij werd goed ontvangen. Maar terwijl ik op de koeken naar koninginnecellen zocht, vond ik een Afrikaansche legwerkbij. Zij was een pseudo-koningin; dit bleek uit haar gedrag en uit de eigenaardige bewijzen van attentie, die zij ontving van de bijen om haar heen. Vermelding verdient, dat deze Italiaansche kolonie apart van de andere kasten stond en dat zij ver buiten de vlucht was van jonge Afrikaansche bijen, die uitkwamen om zich te oriënteeren; dat de dracht voorbij was, en dat de bijen erg geneigd waren om te rooven, en mede, dat Italiaansche bijen den ingang te goed beschermen, dan dat zij vreemde bijen zouden toelaten binnen te komen. Deze legwerkbij was bepaald de eenige Afrikaansche bij in de kast. Ik dien hieraan toe te voegen, dat het verschil tusschen de kleine, donkere Afrikaansche bij en de grootere gouden Italiaansche zoo groot is, dat een Afrikaansche bij gemakkelijk te onderscheiden is onder gouden-Italiaansche bijen. Ik noem dit geval, omdat er toentertijd geen andere koninginnelooze bijen in de bijerij waren. Waar er echter in de bijerij een kolonie is met legwerkbijen (of ook wel een Afrikaansche kolonie met een koningin), komen er allicht van een zoodanige kolonie legwerkbijen andere korven binnenvliegen, die zoodoende de welvaart van de bijerij bedreigen en een noodlottige hinderpaal worden voor de koninginneteelt.
(Onions.)
(*3) Ten slotte wil ik nog dit zeggen met betrekking tot de bijzonderheden hierin vermeld, dat dezelve genomen zijn uit aanteekeningen van waarnemingen en proefnemingen, die opzettelijk gemaakt en bewaard werden als voorbeelden van vele andere gevallen, die mij overkomen zijn gedurende de 12 jaren, dat ik een studie van de bijen maakte. Men moet dus niet denken dat dit op zich zelf staande gevallen zijn. Sedert deze speciale gevallen heb ik tal van vruchtbare bijen ontleed. Door voortdurenden omgang met mijn bijen heb ik de werkbijen gemakkelijk leeren kennen aan andere teekenen dan juist het eierleggen, en het is mij steeds gelukt, wanneer ik van de aanwezigheid van legwerkbijen wist, er een paar te vangen en mij door ontleding te overtuigen.
(Onions.)