Het bedrijf van den imker in Twente.
Een tweede bedrijfswijze, die in zooverre met de eerste overeenkomt, dat ze op een kolossale vermeerdering aangelegd is, wordt hier, en mogelijk op vele andere plaatsen, gevolgd. Daarbij is van eigenlijke teeltkeuze in 't geheel geen sprake. Men jaagt of laat de eerste zwerm uit eigen wil komen.
Na 7 tot 14 dagen komt dan de eerste nazwerm, die ook van een nieuwe woning voorzien wordt. Daarna volgt een tweede, soms een derde en vierde nazwerm, die in den regel ieder afzonderlijk gekorfd worden. Een enkele vereenigt nog wel eens een paar der laatste, doch velen zijn huiverig zich daaraan te wagen. Dat die laatste zwermpjes klein zijn, laat zich begrijpen; maar ze kunnen nog eens goed worden, en ze worden ook goed, als de heide niet verzaakt.
Dat gebeurt echter nog al vaak. We hebben het dit jaar, nu de heide zoo bij uitstek gunstig teekende, weer ondervonden.
Dat ook de moederstok kaal gevlogen is, laat zich denken. Menigmaal ziet men na 't zwermen, bij 't omkeeren van zoo'n stok, wat bijen boven in den kop zitten. Dat 't een geheelen tijd duurt, eer zoo'n volk weer een flink aantal vliegbijen heeft, behoeft niet gezegd te worden. En met de eerste zwermperiode is 't altijd lang niet afgeloopen. Blijft het weer gunstig, dan krijgen we in 't laatst van Juli weer de voorzwermen, soms de moederstok en enkele der nazwermen, die naar het zwermfeest verlangen.
Zoodoende bestaat de mogelijkheid, om in een korten tijd een geheelen bijenstal vol te krijgen.
Maar ik ken ook imkers, die in één winter alles weer verloren. Is het jaar echter bijzonder goed, zoodat volgens het spreekwoord, "de tuinpalen honigen", dan begrijpt men niet, hoeveel honing door zulk een vermeerdering te krijgen is.
Een oude imker vertelde mij eens, dat hij van een volk in één zomer op zestien kwam, waarvan de zwaarste nog 60 à 70 halve kilo's woog. Dat zijn echter uitzonderingen. Vermeerderingen van 10 tot 12 stuks uit één volk treft men nog wel aan, maar de beste brengt het nog niet tot opzetter, en dan moet men ze daarbij vaak nog op kort werk inwinteren. En dat wreekt zich het volgend jaar vaak.
Nu de suiker goedkoop verkrijgbaar is, kan men zeer gemakkelijk opzetters maken, doch of dat voor de imkerij op den duur tot voordeel is, zal de tijd moeten leeren. Sukkels zijn er op de wereld genoeg, we behoeven dat in de bijenteelt niet in de hand te werken. Een overdreven zwermdrift brengt maar heel enkele jaren voordeel, doch zeer veel werk.
Toen hier eerst de losse bouw kwam en voornamelijk was dat de boogkorf, begrepen enkele imkers dan ook, dat zij daarmede de zwermdrift eenigszins konden temperen. Ze voerden een of twee van de korfvolken op hun stand extra, die zoodra mogelijk gejaagd werden en dan met de nazwermen hun de jonge koninginnen brachten, die tegelijk in moerbewaarders, met een paar handjes vol bijen, opgezet werden. De volken in de boogkorven werden heel matig gevoerd om de zwermperiode zoo lang mogelijk op te schuiven.
Waren de jonge koninginnen bevrucht, dan ving men uit den boogkorf de oude koningin en deed die met wat bijen op een ronden korf, waarna men dadelijk in den boogkorf een jonge moer liet bijloopen, wat meestal gelukte. Door het zwakke voederen kreeg men echter in den boogkorf vaak niet genoeg bijen, om van de klaverdracht in Juni goed te profiteeren.
Nu de laatste jaren meer en meer de kasten zich inburgeren, bemerkt men eerst recht, dat er behoefte bestaat aan meerdere voorlichting, voornamelijk practische, op 't gebied der bijenteelt. Over 't algemeen is men daarmede slecht op de hoogte en volgen velen ook nog den ouden weg. Dat daarin alleen zeer sterke volken eenig voordeel aanbrengen, wil men nog niet begrijpen, of ziet de mogelijkheid er niet van in, ze te houden. Velen kunnen de bijen met een matig jaar niet, of slecht in de honigkamer krijgen, maar vergeten, dat ze door 't zwermen 't volk zoo verzwakt hebben, dat 't beneden dubbel ruimte genoeg heeft, om zijn honig op te bergen.
Nu ook dit jaar zag ik bij verschillende imkers hier, dat ze hun wintervolken, in kasten gehuisvest, in tweeën deelden, op een tijdstip, dat ze eerst recht wat presteeren konden. 't Zit er nog te diep in dat men de kolonies noodzakelijk vermeerderen moet. Daarbij komt nog, dat vooral in 't voorjaar, door 't slechte weer, vele volken maar langzaam vooruit komen en ze eerst laat, flink in volksterkte zijn.
De "omhangmethode", die, naar ik meen, 't eerst in deze streek toegepast werd, is een goed middel om het zwermen te voorkomen, en tevens van de witte klaverbloei te profiteeren, die toch in de Junimaand, voor de hooioogst, reeds een flinke dracht kan geven. Al naardat de volksontwikkeling is, meestal einde Mei, brengt men de koningin met 't raam, waarop men haar aantreft, in een klaargemaakte broedkamer, met volle bladen kunstraat of uitgebouwde ramen, en plaatst die onder de oude broedkamer, met koninginnerooster tusschenbeide in. 't Grootste bezwaar voor de meesten is dat ze den honig slingeren moeten, en voor slingerhonig geen afzetgebied weten.
Daarvoor zal dan zeker de op te richten Handelskamer een weg wijzen ? !
Ik zou niet volledig zijn, als ik vergat te vermelden, het bedrijf van sommigen, wat nu niet zoo zeer als het “edele imkersbedrijf" kan aangemerkt worden. Dat is, dat men des winters geen bijen overhoudt, doch voorjaars ledige korven met wat wasbouw hier en daar op 't erf plaatst en in den regel een verdwaalden ? zwerm als woning verstrekt. Ik ken er, die in den herfst op zulk een manier, 5 of 6 volken hebben om "dood te branden". Maar ik ken er ook, die in plaats van bijen, een prachtig hoorntjesnest aantroffen.
J.R. te Veldhuis.