Rapport van de Honingcommissie.
Door het Hoofdbestuur van de Vereeniging tot bevordering der bijenteelt in Nederland werd in Maart 1911, naar aanleiding van een bespreking door den heer A.M. Sprenger, te Maastricht, op de algemeene vergadering van 22 December 1910, eene Commissie benoemd, die tot taak had, een onderzoek in te stellen naar de oorzaken van den slechten honingafzet, om zoo mogelijk de middelen te zoeken de afzet van de bijenteeltproducten in vastere banen te leiden en een zoo groot mogelijken en regelmatigen afzet te vinden, zoodat dit euvel de bijenteelt niet meer in den weg zal staan.
Tot leden van deze commissie werden benoemd de heeren:
C. Baron de Senarclens de Grancy te Vucht.
N.A.F. van Duijfhuis Beijnen te Frederiksoord.
A.M. Sprenger te Maastricht.
W. van Kemenade te Gemert.
J.H. Zandbergen te Voorthuizen en
L. van Giersbergen te Wageningen.
Als voorzitter dezer commissie fungeerde C. Baron de Senarclens de Grancy, en als secretaris L. v. Giersbergen.
Door genoemde commissie werd op hare eerste vergadering te 's Hertogenbosch besloten, te trachten van de ijmkers zooveel mogelijk opgaven te bekomen als eenigszins mogelijk was, teneinde een goed beeld te verkrijgen van den werkelijken toestand van den honing- en washandel in het land.
Tot dit doel werden een 250-tal circulaires aan verschillende personen in het land gezonden, die geacht werden de gevraagde inlichtingen te kunnen verschaffen, vooral had dit plaats aan de secretarissen der afdeelingen van de vereeniging.
Het kwam de commissie gewenscht voor een beeld te krijgen van:
a. productievermogen;
b. aard van het product;
c. de verkregen prijzen;
d. den aard en wijze van den afzet.
Daarbij werd nog verzocht mededeelingen te verstrekken, die de commissie van dienst konden zijn.
Van de 250 circulaires die aan verschillende personen gezonden werden, kwamen nauwelijks 100 terug, waarvan nog een groot deel onbruikbaar, of van weinig waarde, zoodat de commissie met geen volledig materiaal kon werken en een alles behalve aangename taak had.
Uit verschillende verhalen, mededeelingen, zoowel schriftelijke als mondelinge, alsmede uit waar te nemen feiten, is duidelijk gebleken dat de honinghandel door ijmkers en coöperaties gedreven, aan verscheidene euvelen mank gaat.
Van de oprichting der vereeniging af, was in het program der vereeniging opgenomen afzet van de producten te bevorderen. Doch steeds bleef het bij het bespreken van die bevordering.
In het eerste maandschrift, dat April 1898 uitkwam, staat op pag. 6: "Wat wij willen". “Het gebruik van honing in eere herstellen." Op pagina 7 van hetzelfde maandschrift wordt gesproken over de verdringing van den inlandschen honing.
Uit de artikelen van de volgende jaargangen blijkt, dat men de oorzaak van den moeilijken en slechten afzet zocht in de honingvervalsching, beter, wijt aan den invoer uit het buitenland van vervalschten- en kunsthoning.
Uit een en ander blijkt, dat reeds in 1898, bij de oprichting van de vereeniging, iets, al heel wat aan den afzet haperde. Waar of de schoen wringt, wordt echter nergens goed geargumenteerd medegedeeld.
In 1900 werd te Boxtel op de Algemeene Vergadering door den heer C. Baron Senarclens de Grancy het onderwerp coöperatie ingeleid en als middel tot verbetering van den afzet van de “bijenteeltproducten", coöperatief werken aanbevolen. De toestanden die er heerschten worden geschetst; men beaamt het gesprokene; maar tot uitvoering van het gesprokene komt men niet; met dien verstande, dat het oprichten van coöperaties tot 1905 zeer sporadisch
was.
Te Barneveld en Bennekom had men in 1900 coöperatieve zeemerijen. De zeemerij te Bennekom begon pas na veel moeilijkheden afzet te krijgen.
Met de steeds grooter wordende vereeniging wordt de klacht over den slechten afzet en lage prijzen nu eens grooter, dan weer sluimert zij in, ja, soms zoo diep, dat men zou wanen dat alles in orde was.
In 1910, een zeldzaam gunstig jaar voor de honingproductie in Nederland, kwam het euvel van den slechten afzet en de lage prijzen plotseling en heftig voor den dag, terwijl het in 1911 weer voor het grootste gedeelte des lands, niet scheen te bestaan. Mogelijk slaapt de klacht over slechte prijzen, etc., totdat moeder Natuur nogmaals de ijmkers met een gunstig honingjaar zegent, tenzij de honingcommissie uitkomst brengt en aan alle klagen een einde maakt.
De vele klachten van 1910 zijn oorzaak dat genoemde commissie werd ingesteld en aan den arbeid toog. Gewis heeft deze commissie, evenals de bijenteelt, geen gunstig jaar op haren arbeid getroffen; want door den slechten oogst waren vele personen te belangeloos, dan dat zij de hun toegezonden circulaires, die voorzien waren van een schrijven en een couvert met betaald antwoord, hebben willen invullen en terugzenden.
Uit de ingekomen circulaires blijkt allereerst, hoe slecht en onvoldoende dikwijls, de secretarissen der afdeelingen op de hoogte zijn van den toestand hunner afdeeling. Mocht het soms gelukken uit eene afdeeling meer opgaven te ontvangen, dan liepen de opgaven zoo ver uiteen, dat men niet wist wien te moeten gelooven.
Was 1911 een goed honigjaar geweest, mogelijk dat dan de invulling der vragen wat meer nauwgezet en deugdelijk was geschied.
Voorts bleek, dat het met den afzet van den honing vooral (want met den afzet van het bijenwas gaat het naar wensch), niet gunstig was. Een feit, dat ons land met het buitenland gemeen heeft, hetgeen blijkt indien men slechts enkele jaargangen raadpleegt van buitenlandsche ijmkersvereenigingen.
Duitschland klaagt en verhoogde in 1906 zijne invoerrechten. Geheel de Duitsche ijmkerij strijdt tegen den kunsthoning.
België tracht van den honing azijn en mede te laten maken.
Frankrijk roept om hoogere invoerrechten, en Fransche ijmkers vragen om afzetgebied in Holland. Maar ook de Nederlandsche ijmkers klagen over de lage honingprijzen, en over slechte kwijting.
Het is niet te miskennen, dat de honing niet meer de eereplaats van de verzoetingsmiddelen inneemt. Sinds de bekendwording van de riet- en beetwortelsuiker is de honing verdrongen geworden. Langzamerhand maar zeker, heeft dit bijenteeltproduct voor de suiker plaats moeten maken. Hier zijn ook wel degelijk goede redenen voor, want het aanwenden van suiker kan in meer gevallen plaats hebben dan van honing, terwijl de productie van suiker regelmatiger is dan die van honing. In sommige landen is de prijs van honing en suiker meer in het voordeel van de suiker.
Slechts zeer weinig nog wordt de honing voor tafelgebruik genuttigd, in verhouding tot suiker, en het grootste deel van den vaderlandschen honing was en is de laatste jaren bestemd voor de koekbakkerij. Het kwam de commissie wenschelijk voor de twee honingsoorten die ons land onderscheidt namelijk koekbakkershoning en tafelhoning, afzonderlijk te bespreken.
Koekbakkershoning (pershoning). Het productievermogen van pershoning hangt in de eerste plaats af van het aantal volken, in strooien korven of in vasten bouw, en in de tweede plaats van het weder. Aangezien wij den laatsten factor, hoe gewichtig ook, geheel buiten beschouwing kunnen laten, wijl wij daaraan toch niets kunnen veranderen, is die van het aantal korven, vasten bouw, wel de gewichtigste.
Volgens de veetelling van 1910, zie maandschrift 15 Mrt. 1910, waren er 69406 stuks vaste en losse bouw. Bij de commissie zijn slechts opgegeven 66493 korven, waarvan 57945 vasten bouw en 8548 lossen bouw. Doch deze laatste opgave mag lang niet als volledig beschouwd worden, en het aantal bijenvolken komt in 1912 gewis aan 100.000 stuks.
De verhouding tusschen vasten- en lossen bouw is dus ongeveer als 6 : 1, of, aannemende dat er 100.000 volken zijn, dan hebben wil 85714 korven vasten bouw en 14286 lossen bouw. Bij de bedrijfswijze van den vasten bouw mag aangenomen worden, dat van elk wintervolk twee zwermen genomen worden en dat weder tot wintervolk blijft bewaard; er komen dus 2 X 85714 X 171428 korven vrij voor het honinggewin. Wordt aangekomen een gemiddelde opbrengst van 10 K.G. per uitgebroken volk zuiveren pershoning, dan zou de productie van onzen bijenstapel in den vasten bouw per jaar bedragen 1.714.280 Kilogram.
Over den aard van het product, als punt twee, van wat de commissie meende te moeten onderzoeken, is nog al meeningverschil, zoowel bij producent als consument. Hier echter moet vooral op den consument of verbruiker gelet worden, alsmede op de concurrenten van den bakkershoning.
Kunsthoning. Sinds de laatste jaren, bij de groote vorderingen der scheikunde, is het gelukt, honing zeer handig na te maken en het zoo verkregen product is wel een der grootste concurrenten van den pershoning.
Buitenlandsche honing. In vroegere tijden werd door de koekbakkerij hoofdzakelijk inlandsche honing verwerkt, na dien tijd, met de verbeterde verkeerswegen en snellere verbindingen met andere werelddeelen, kwam al spoedig de buitenlandsche honing, vooral de Fransche honing, als mededinger ter markt. Nog later overzeesche honingsoorten, als Cuba, Havanna, Chili, Levant en Turksche honing, om van de andere soorten nog maar niet te spreken.
Deze buitenlandsche honingsoorten en kunstproducten hebben den inlandschen honig reeds sterk in den hoek gedrongen. Bij al die concurrenten voegt zich nog meer ellende voor den bakkershoning, n.l. de nieuwere bedrijfswijze van het koekfabriceeren. Door het grootkapitaal worden de kleine koekbakkerijen verdrongen door de koekfabrieken. Den kleinen inrichtingen word zoo'n concurrentie aangedaan, dat zij de eene voor, die andere na verdwijnen. Nog ziet men links en rechts wel in ons land uithangborden, en vensters, beschilderd met "brood- en koekbakkerij", doch dit is slechts voor de helft waarheid; brood wordt er nog wel gebakken, doch de koek wordt er verkocht, en betrokken van de een of andere koekfabriek.
Met het verdwijnen van deze kleine koekbakkerijen verdwijnen ook gaandeweg de leveranties aan de bakkers en de uitbrekers.
Wel vindt men nog opkoopers van ruwen honing , die geperst wordt en dan in den groothandel komt, doch zelden als onvervalschten inlandschen honing.
De verbruikers (koekfabrikanten) van den inlandschen pershoning verklaren den Nederlandschen honing steeds minderwaardig, dan de Bretagne-honing; zelfs wordt verklaard, dat de laatste jaren de inlandsche honing niet zooveel waarde meer heeft als voor 15 à 20 jaren, als bakkershoning.
Dat de inlandsche honing niet zoo’n hooge waarde heeft als de Bretagne-honing voor de koekfabricatie, beaamt de commissie gaarne, omdat de Bretagne-honing bijna uitsluitend uit geurigen boekweithoning bestaat, terwijl onze pershoning voor het grootste deel heidehoning is. De bewering van het minderwaardig worden van onzen inlandschen pershoning voor de bakkerij, is zeer wel mogelijk, omdat de boekweitverbouw in ons land de laatste jaren sterk is verminderd en daarmede ook het winnen van boekweithoning. Het is zeer wel te begrijpen, dat bij een grooteren verbouw van boekweit, een groot deel van den pershoning meer of minder boekweithoning bevatte, en aan de massa haar sterken geur en smaak mededeelde. Bij de tegenwoordige toename van kalkhoudende kunstmeststoffen komt er meer klaverhoning, en daardoor meer lichte, minder geurende honing. Ook het groot aantal ontginningen is wel een der oorzaken van het oogsten van meer lichte honingsoorten dan vroeger.
De aard van het product kan onzes inziens niet concurreeren met dien van zuiveren Bretagne-honing. Maar als de prijs van den honing als maatstaf gebruikt mag worden, dan is zuivere Bretagne nummer één, en de inlandsche pershoning gewis nummer twee. Dat het oordeel van sommige bakkers niet gunstig luidt over onzen inlandschen pershoning, behoeft niet geweten te worden aan den honing, doch aan den minder eerlijken verkooper, die waar levert, onder het etiquet inlandsch, terwijl de kooper meent dat hij dit ook bekomt, maar gewoonlijk een vervalscht, soms slechts een kunstproduct koopt.
Zij, die bij de coöperatieve honingzeemerijen inlandschen honing koopen, roemen echter in het algemeen ten zeerste zijne kwaliteit. De klachten, die nog over zuiveren inlandschen honing worden gehoord, vinden hun grond in het volgende:
Het zal wel niet behoeven gezegd, dat honing aan de koek zijn geur en zijn kleur mededeelt. En nu is het voor het koekbakkersbedrijf van veel waarde, dat de honing zooveel mogelijk ééne kleur, en eenzelfden geur heeft. Nu komt het vaak voor, dat enkele vaten zooveel in kleur kunnen verschillen, dat het dikwijls voor onmogelijk wordt gehouden dat zij uit één dorp afkomstig zijn. Kleur- en geurverschillen zijn den handel uit den aard van het gebruik niet aangenaam.
Dan moet nog genoemd worden het nadeel van onzen honing, dat hij dikwijls in te kleine partijen en slechts tot December, hoogstens Januari, verkrijgbaar is, bij eenigszins aanzienlijke partijen. Hij is gewoonlijk bij te kleine kwantums verkrijgbaar. Binnenlandsche honing op voorkoop te kunnen koopen, daarvan is geen sprake, en leveringsplichtig is de verkooper evenmin.
Wel kleven den handel van elke honingsoort deze fouten aan, doch van onzen honing wel in hooge mate. Ons klimaat is te wisselvallig, dan dat het een regelmatigen oogst zou kunnen geven.
De prijzen, die voor den pershoning worden besteed, zijn nog al aan schommelingen onderhevig. Dit is het gewone verschijnsel van elk handelsartikel, waaraan ook de buitenlandsche honing laboreert.
Zoo schommelden in 1910 en 1911 de volgende honingen in hunne prijzen:
'10 Bretagne van 22½ - 22 – 21¾ - 26½
’11 Bretage van 26½ - 26.
Mexicaansche honing in '10 16¼ - 17½.
Mexicaansche honing in '11 19½ - 19.
Bordeauxsche honing in ‘10 16¾ - 18½.
Bordeauxsche honing in ’11 18½ - 18.
Havanna honing '10 15¼ - 19.
Havanna honing ’11 19 – 20.
Zuid-Duitsche kunsthoning 13½ - 12½ constant.
De prijzen voor den inlandschen honing, uitgeperst en in de vaten, waren ten Noorden van den Rijn, volgens het gemiddelde van de ingekomen opgaven f 0.23½ per half K.G. In Noord-Brabant f 0.18.6 en in Limburg f 0.21½ .
Uit het vorenstaande blijkt, dat in het Noorden des lands gemiddeld ongeveer f 0.05 per half K.G. voor den pershoning meer ontvangen wordt, dan in het Zuiden van ons land, met name Noord-Brabant.
Bij dat prijsverschil komt nog, dat de pershoning in het Noorden des lands beter te kwijten is dan in het Zuiden. Nergens wordt sterker over den afzet geklaagd, dan in Noord-Brabant.
Een groot kwantum pershoning of bakkershoning wordt verkocht ongeperst, met de raat, zoogenaamd "uitgebroken". Bij deze wijze van verkoop moet aanstonds onderscheiden worden binnenlands, en over de grenzen. De prijzen, voor over de grenzen, bedragen ongeveer f 0,31 per halve K.G.
In de provinciën Groningen en Friesland wordt voor den honing, uitgebroken in de ton, betaald f 0.21 per 1/2 K.G. In Gelderland en Overijssel f 0.18, in Noord-Brabant f 0.17 en in Limburg f 0.17½ , per 1/2 K.G. Het laagste wordt de honing verkocht in de omgeving van Tilburg en Eindhoven. In die streken betaalt men voor uitgebroken, in de ton of vat, f 0.16 per K.G.
In een breede strook langs onze oostelijke grens leveren de ijmkers hun honing naar Duitschland. De aldaar gemaakte prijzen verschillen ongeveer f 0.10 per 1/2 K.G. met het binnenland.
De afzet van den pershoning geschiedt op een 10-tal plaatsen in ons land zuiver coöperatief, door hem, hetzij geperst, hetzij uitgebroken, te verkoopen.
Op de meeste plaatsen echter tracht ieder zijn eigen waar te verhandelen en worden dikwijls lagere prijzen verkregen dan aan de commissie is opgegeven. In de laatste jaren beginnen de vereenigingen in het najaar gezamenlijk hun kwantum honing te veilen, wat reeds een stap in de goede richting is.
Uit het vorenstaande blijkt dus, dat den handel in pershoning de navolgende fouten aankleven:
1. Dat door het niet indienen van verslagen op het eind van het jaar, door de afdeelingen geen goed overzicht met betrouwbare gegevens van de productie van pershoning te bekomen is.
2. Dat de inlandsche honing meer eenheid van kleur en geur moet bezitten.
3. Dat de te verkrijgen kwantums te klein zijn, en te verspreid aanwezig zijn, om eene aanzienlijke hoeveelheid bijeen te krijgen.
4. Dat door de wisselvallige oogsten, en gebrek aan samenwerking, het niet mogelijk is in minder goede jaren nog iets ter markt te brengen.
De tweede honingsoort. Tafelhoning, waar de aandacht van de commissie op gevestigd is, en die gewis hare meeste zorgen behoeft, is de honing voor tafelgebruik. De productie van deze honingsoort schijnt jaarlijksch toe te nemen, of beter, een grooter deel van den honing wordt voor tafelgebruik bestemd. Mogelijk is de oorzaak hiervan het moeilijker slijten van den pers- of uitgebroken honing, of dat de ijmkers verlokt worden door de raathoningprijzen, òf dat er zich meer gelegenheden voordoen, om raat-, lek- en getapten honing te plaatsen; maar een feit is het, dat een grooter deel van den honing andere bestemming krijgt dan voorheen.
Dat door dit verschijnsel de kwaliteit van den pershoning niet verhoogd wordt, doch integendeel er aanmerkelijk door verslechterd, omdat de mooiste stukken raat uit den vasten bouw als raathoning in den handel komt, de minder mooie raat gelekt of getapt en het restje uitgeperst wordt tot bakkershoning, zal wel niet nader uiteengezet behoeven te worden. Vooral werken de coöperatieve zeemerijen in dezen geest niet zeer goed op de kwaliteit van den pershoning. Tengevolge van het vorenstaande is het kwantum tafelhoning niet te bepalen. Uit de ingekomen circulaires is niets te putten, wat eenig houvast geeft in dezen.
Nemen wij, op de aangevoerde gronden bij de behandeling van den pershoning aan, dat er 14286 volken in lossen bouw gehuisvest zijn, en dat de gemiddelde opbrengst aan raathoning en slingerhoning, per volk is 15 K.G., dan zou ons land gemiddeld per jaar 214290 K.G. tafelhoning produceeren. Daarbij mag uit den vasten bouw gerust op 30000 K.G. gerekend worden, dus de totale productie zou ongeveer 244000 K.G. bedragen.
Gewis is dit getal voor 1910 te laag geweest en voor 1909 en 1911 te hoog. Het product tafelhoning, in den vorm van slinger-, lek- en raathoning, is over het algemeen genomen zonder twijfel van goede kwaliteit. Wel zal er hier en daar wat op de bereiding aan te merken zijn, doch dit behoort gewis tot de uitzonderingen.
Door het eigenaardige van den Nederlandschen bodem en de daarmede in verband staande gewassen op de bijenweide, geeft Nederland een groote verscheidenheid van honing, zóówel in kleur, als smaak. Enkele soorten hebben in het aantal Kilo's, dat ter markt wordt gebracht, den boventoon, n.l. de heidehoning en de lichte honingsoorten van klaver, fruit en koolzaad. De prijzen voor den tafelhoning, door de ijmkers en coöperaties ontvangen, loopen niet zoo sterk uiteen als die van den pershoning. De meeste slingerhoning wordt gemiddeld verkocht voor f 0.60 per ½ K.G. flacon. De lekhoning voor 45 ct. per ½ K.G. flacon. De raathoning heeft overal een vasten prijs, die tusschen de 40 à 50 ct. per ½ K.G. schommelt. Alleen in de omgeving van Tilburg en Eindhoven is de prijs 35 à 40 ct. per ½ K.G.
Omtrent den prijs en den afzet van tafelhoning is reeds menig woord gesproken en vele wenschen zijn geuit, doch bij die twee pogingen, die met den mond gemakkelijk gedaan kunnen worden, is het gewoonlijk gebleven.
Meestal tracht elk zijn eigen beperkte hoeveelheid, van 25 tot honderden Kilo's, van de hand te doen aan particulieren. Bij winkels in depôt geven kan gewoonlijk niet gedaan worden, omdat de groote winkelier 20 tot 30% rabat vraagt, en daardoor de prijs of te laag wordt voor den ijmker, zoodat zijn honing bijna niets meer opbrengt, of de prijs voor den kooper te hoog wordt, en daardoor geen aftrek vindt.
Zoo vindt men in sommige steden van ons land in de verschillende winkels van vijf of meer ijmkers honing staan, bij wijze van proef, in onoogelijke flacons, met beduimelde etiquetten, waarop dikwijls de weidsche titel van dit of dat bijenpark voorkomt. Ook wordt dergelijke handel rechtstreeks met particulieren gedreven, en over de zindelijkheid van product en verpakking wordt menigmaal geklaagd. Vooral die geroeste deksels en het zwart worden van den honing, is een bijna algemeene klacht.
Enkele personen, in de nabijheid van groote steden, hebben zelfs een groot aantal klanten, die regelmatig koopen. Van deze personen had de commissie goede gegevens verwacht voor haren arbeid; maar zij zijn zoo spaarzaam en zuinig geweest met opgaven, dat het eerder niets dan iets mag genoemd worden.
In sommige steden worden markten van honing gehouden; zij slagen hier en daar wel, doch mislukken op de meeste plaatsen in hooge mate.
In den eersten tijd gaat zoo'n markt wel, doch de volgende keeren gaan de ijmkers, reeds dagen voor de markt aanvangt, stadswaarts en venten hun raathoning tot elken prijs uit. Het houden van eene markt heeft dan dikwijls geen zin meer, omdat het honingetend publiek reeds voorzien is. De markt mislukt, en er wordt beweerd, zoo'n markt geeft toch ook niets.
Dit is een der bezwaren, die aan de honingmarkten zijn verbonden, dan mag daarbij genoemd worden, dat op zoo'n markt de ijmker, die zijn product aanbiedt, er dikwijls zoo onappetijtelijk uitziet, dat het publiek van honing en zijne behandeling een alles behalve goed idée krijgt.
Door een en ander komt de commissie tot de gevolgtrekking, dat onze ijmkers in de maand September bij het uitbreken van de korven meer honing willen hebben dan het honingetend publiek kan gebruiken. Door dezen tijdelijken overvloed worden de prijzen gedrukt, en de mare verspreid, dat de afzet van honing zeer slecht is. En toch hebben de regelmatige verbruikers van honing groote moeite, wanneer in December of Januari hun voorraad verbruikt is, deze weer aan te vullen. Meestentijds is er in dien tijd geen raathoning meer, dan in de winkels, tot een twee, driemaal hoogeren prijs, dan in September.
De ijmkers die zich toeleggen op het leveren van slinger-, tap- of pershoning, trachten eveneens in September een zoo groot mogelijk kwantum te slijten, teneinde zooveel doenlijk den oogst in geld om te zetten. Worden van dezen honing partijtjes door het publiek opgedaan, of in voorraad gekocht, dan blijkt na eenigen tijd, dat de honing zich niet deugdelijk houdt, gist en zuur wordt. De schuld wordt den honing gegeven, doch behoort aan den ijmker geweten te worden, want deze heeft zijn product dikwijls mishandeld. Het gevolg is dan dat de honing in miskrediet komt.
Dat de honing onder honderd en één etiquet en in een massa soorten van flacons, met een even groot aantal prijsverschillen in den handel komt, daar kan men zich dagelijks in de steden voor de winkelramen van overtuigen.
Dit heeft ten gevolg dat, mocht er door woord of geschrift reclame gemaakt worden, en een groep menschen tot het eten van zuiveren honing, met goed gevolg aangespoord worden, zij bij den eersten den besten kruidenier het verlangde vragen, dan de uitgestalde waar geleverd krijgen, en ............ de honing na die eerste maal niet meer willen eten.
Wordt dan geïnformeerd in winkels naar de echtheid van honing, zoo wordt op het etiquet gewezen met den weidschen titel van stoomhoningzeemerij, of bijenstand dit en dat met zooveel honderden bijenkasten, waarop dan dikwijls nog chemische attesten waarbij de zuiverheid wordt gewaarborgd. Doch ............?
Door dit en nog vele andere dingen wordt de ijmker in den hoek gedrongen. Zijne waar wordt in 't algemeen voor luttele prijzen opgekocht, dan daarna dikwijls verknoeid, om ten slotte met groote winsten te worden verkocht.
De oprichting van enkele coöperaties heeft eenige verbetering gebracht in dezen toestand, doch bijna uitsluitend plaatselijk en alleen met betrekking op de zuiverheid. De coöperaties doen n.l., zonder dat zij zich dit bewust zijn, elkander concurrentie aan, waardoor de afzet en de prijs zeer benadeeld wordt.
De honing is nog te weinig bekend, te weinig gewaardeerd, en wordt te weinig gebruikt. Teneinde den omzet te vermeerderen, moet o.i. begonnen worden met meer reclame. Alleen groote reclame, nette verpakking, regelmatigen aanvoer, kan den afzet op het goede spoor brengen.
Uit hoofde van vorenstaande beweegredenen, acht de commissie het zeer in het belang van de Nederlandsche bijenteelt, dat de coöperatieve honing- en wasperserijen in Nederland eene vereeniging oprichten, om den honing- en washandel zoo veel mogelijk in alle opzichten eenvormig te maken. Verder, dat zij voortaan hun honing rechtstreeks aan den man brengen, zonder tusschenpersonen, en voorzien van een merk, waaruit blijkt dat het geleverde en verkochte product een zuiver, gewaarborgd, echt natuurproduct is.
Dat door vereende krachten reclame wordt gemaakt voor dat artikel, opdat iedereen weet waar en bij wien goede natuurhoning verkrijgbaar is.
Als oorzaken van den slechten en onregelmatigen afzet van de bijenteeltproducten beschouwt de commissie het volgende:
a. Dat de bakkershoning, door onvoldoende samenwerking van de ijmkers in te kleine partijtjes wordt aangeboden, waardoor de groothandel geen directe notitie van dit artikel kan nemen en de honing eerst bij de handelaren moet geweest zijn, om aan de verbruikers geleverd te worden.
b. Dat, tengevolge van onvoldoende samenwerking der ijmkers, kleur, geur en smaak te veel verschillen, dan dat de bakkershoning regelmatig voor de bakkerij gebruikt kan worden.
c. Dat wegens niet genoegzame samenwerking der ijmkers de inlandsche bakkershoning slechts een korten tijd des jaars verkrijgbaar is.
De commissie stelt zich voor dat deze euvelen weggenomen, of althans zeer sterk verminderd kunnen worden, door:
a. Het oprichten van coöperatieve zeemerijen over geheel ons land, waardoor na afloop van den oogst de hoeveelheid pershoning bekend is, en waardoor de partijen veel aanzienlijker zijn, in gunstige jaren zelfs groot kunnen wezen.
b. Door het verwerken van den honing aan flinke zeemerijen zal kleur, geur en smaak meer eenheid verkrijgen, wel zooveel, dat hij voor regelmatig bakkersgebruik geschikt is.
Indien al deze coöperaties een band hebben, dan is het zeer wel mogelijk de beschikbare hoeveelheid pershoning te overzien, en hem tevens in groote kwantums te verhandelen, waardoor het onder c. genoemde bezwaar ondervangen wordt.
Verder kunnen de consumenten rechtstreeks in verbinding komen met de producenten en die onderlinge concurrentie der zeemerijen wordt dus opgeheven.
Dat de tafelhoning nog niet in zoo'n groote hoeveelheid te kwijten is, vindt, volgens de commissie, zijn oorzaak in het volgende:
a. Door onderlinge concurrentie worden de prijzen van den tafelhoning, vooral in de maand September, sterk gedrukt, het publiek wil nu voor dezelfde prijzen in de volgende maanden honing koopen, doch bevindt den honing dan veel duurder.
b. Dat de honing voor tafelgebruik te weinig gekend en te weinig nog gewaardeerd wordt.
c. Dat het publiek geen enkelen waarborg heeft, dat het bij het koopen van honing een zuiver en goed naar de eischen des tijds behandeld natuurproduct ontvangt, tenzij in de maand September raathoning gekocht wordt.
d. Dat de handel van tafelhoning voornamelijk geschiedt door handelaren, coöperaties en ijmkers. De handelaren verkoopen steeds inlandschen honing, of hij in Nederland geoogst is of niet. De coöperatie's concurreeren onderling sterk en kunnen aan de winkeliers in de steden geen 20 à 30% rabat geven, zoodat zij daar moeilijken afzet vinden. De ijmkers verkoopen, vooral in September, tot bijna elken prijs, enkele uitgezonderd, voornamelijk raathoning. Wel wordt ook door ijmkers tafelhoning in flacons verkocht aan particulieren en dat neemt zelfs sterk toe; maar de meesten kunnen hun geheele kwantum niet van de hand doen en klagen over den slechten afzet.
Als middel tot verbetering van den handel in bijenteeltproducten heeft de commissie zooveel als haar mogelijk was, alle wegen die daartoe leiden konden, bezien en de middelen daartoe overwogen.
In de eerste plaats is er gedacht aan de oprichting van talrijke honingmarkten, in den geest als die van Eerbeek, Nijmegen en op enkele andere plaatsen. Doch op die markten wordt voornamelijk raathoning aangeboden; te Nijmegen wordt ook wel flacon-honing verkocht. Maar de commissie heeft wel ingezien dat dergelijke markten, hoe goed ook voor eene bepaalde streek, toch niet de geheele bijenteelt van ons land kan baten.
Ten tweede werd gedacht aan het stichten van depôts, doch deze moeten uitgaan van een centraal punt, van waaruit het product aangevoerd wordt. Ook dit zou geen uitkomst geven.
Ten derde is overwogen het oprichten van provinciale coöperatieve zeemerijen; doch het bekend zijn met de ervaring, daarmede opgedaan in Noord Brabant, en de ervaringen der zeemerijen, die werken over groote uitgestrektheden, konden de commissie niet doen besluiten hiertoe te adviseeren. Indien namelijk provinciale zeemerijen mogelijk geweest waren om op te richten, dan zou het misschien evenzeer mogelijk zijn om een paar of eene zeemerij voor ons land te stichten. Doch bij het oprichten van zeemerijen voor een deel van de provincie opperden de ijmkers reeds de volgende bezwaren:
1e. te groote afstand voor het vervoer der producten;
2e. het niet toezicht kunnen houden op de bewerking der producten;
3e. de vrees van niet juist genoeg betaald worden voor een iets mooiere korf, dan die van zijn buurman;
4e. het niet terug ontvangen van zijn eigen woningen;
5e. het beschadigd worden van de korven;
6e. het niet kunnen laten uitlikken van de korven door zijn eigen bijen;
7e. het tevreden moeten zijn met aanvangsprijzen, enz., enz.
De zeemerijen ontvangen de producten bij voorkeur in de korven, want bij het uitbreken ter plaatse moet de honing in de ton gedaan worden, waardoor de raathoning niet meer bruikbaar is, daar de droge waseinden met honing worden besmeurd, hetgeen nadelig is. Bovendien zal het product, zoo in de ton gestopt, dikwijls meer zaken bevatten dan voor een gemakkelijke en gewenschte behandeling van het product goed is.
Nu reeds door ervaring is gebleken, dat groote zeemerijen moeilijk te stichten zijn, mogelijk ook log werken, en dat de handel van elken ijmker apart nog weliger tiert! Dit euvel is reeds oorzaak dat sommige coöperaties niet tot bloei kunnen geraken; want ijmkers zelfs, al zijn zij lid eener coöperatie, en zij kunnen ter sluiks een paar centen per week meer ontvangen dan van de coöperatie, zoo leveren zij niet aan de coöperatie, doch aan particulieren. Dit kwaad komt het minst voor bij de kleine coöperaties, waar de onderlinge contrôle veel grooter en veel gemakkelijker is.
Aangezien de commissie meent te weten, dat de bestaande coöperatieve zeemerijen voor het meerendeel zeer tot genoegen van de ijmkers werken, en dat de besturen slechts klagen over slechten afzet en dat zij gevoelen, dat door samenwerking van al die coöperatie's tot het gewenschte doel zou zijn te geraken, daarom heeft de commissie gemeend, dat uitkomst te wachten is, indien in ons land op verschillende plaatsen geen al te groote zeemerijen opgericht worden, en dat deze zich verbonden tot eene Federatie, of Handelskamer, die zorgt voor den afzet van de producten. De klanten, die de reeds bestaande coöperaties hebben, kunnen dan behouden blijven door die coöperatie's en door hen bediend worden; de nieuwe coöperatie's kunnen de klanten van hunne leden voorloopig bedienen.
De Federatie of Handelskamer kan dan zorgen voor een behoorlijke verdeeling van den honing over de zeemerijen, over de depôt's, winkels, enz. Het kwantum pershoning kan bij te veel verschil in kleur, smaak en geur gemengd en ineens aan den man gebracht worden.
Verder zou zoo'n Federatie of Handelskamer kunnen bewerken eenvormige prijzen, verpakking, reclame, enz., wat wenschelijk geacht wordt voor den bloei van den handel in bijenteeltproducten.
De commissie acht hiermede haar taak geëindigd, en brengt gaarne dank aan allen, die haar gegevens hebben verschaft, terwijl zij hoopt dat de vereeniging tot bevordering der bijenteelt in Nederland het nut van eene vereeniging van de bestaande en de nog op te richten coöperaties moge inzien, en haar spoedig tot stand zal brengen, tot grooter groei en bloei der vereeniging.
G. de Grancy, voorzitter Honingcommissie.