Bij den aanvang van 1913.



Het is thans het 15e jaar dat het Maand schrift in gaat.
Veel veranderingen heeft het in dien tijd nog al niet ondergaan. Het aantal pag. is wat uitgebreid en tamelijk regelmatig verschijnen er tegenwoordig foto's in, om ook door beeld den ijmkers den weg te wijzen.
Voorstellen van de Red., die bedoelden aan het blad meer uiterlijk te geven, waarmede natuurlijk ook een stijging der innerlijke waarde kon worden verwacht, vooral door platen op mooier papier te geven, moesten afstuiten op gebrek aan financiële kracht, slechts het omslag kon eenige verbetering ondergaan.
Aanvankelijk meende de Red. grondige hoop te mogen koesteren dat haar wenschen zouden worden vervuld, maar ze werd huiswaarts gestuurd, terwijl de opmerking gemaakt werd dat het meer waarde zou hebben indien de inhoud in waarde rees, dan, wanneer het uiterlijk van het blad meer verzorgd werd.
Nu, wie zou zulk een uitspraak willen betwisten?

De Red. is niet van meening een volmaakten inhoud te geven; maar doet haar best die zoo aantrekkelijk mogelijk te maken.
Intusschen kan door de leden der vereeniging veel worden gedaan om van het blad, rekening houdende met de omstandigheden, te maken, wat er van te maken is.
Daarom is de Red. er ook voortdurend op uit, om personen, met wie ze in aanraking komt, en van wie ze meent dat deze iets goeds te voorschijn kunnen brengen, uit te noodigen, om hun denkbeelden in het Maandschrift te ontwikkelen; maar slechts zelden met het gewenschte succes.

Daarom zij hier aan degenen, die wel aan die roepstem gehoor gaven, des te meer den dank der Redactie gebracht voor wat ze deden, de belangrijkheid van het Maandschrift door woord en beeld en soms beide te verhoogen.
De Red. doet hierbij een beroep op hen, om daarmede door te gaan en zij, die eveneens in staat zijn om iets goeds te leveren; worden uitgenoodigd hun licht helder te doen schijnen en de kaars niet onder de korenmaat te plaatsen.
Ontegenzeggelijk is het waar, dat op dit oogenblik een ontwakend leven in onze Vereeniging heerscht en de Red. meent niet mank te gaan aan overdreven zelfoverschatting wanneer ze voor zich constateert, medegewerkt te hebben aan de opwekking van dit leven.

Juist nu er meer leven begint te komen, is het eisch, dat er met meer ijver en grooten takt gewerkt wordt, opdat dit opkomende leven in goede banen wordt geleid.
Zoo begint er hoe langer hoe meer een streven merkbaar te worden, om tot den lossen bouw over te gaan, maar er heerscht op dit gebied nog zeer veel verwarring. Nog steeds komen er meer raampjes bij, die meer of minder van bestaande afwijken.
De tijd is nu gekomen, dat door een bepaald systeem party gekozen wordt.

Indien in het vervolg de honig over één weg heen het publiek zal bereiken, in den vorm van honig in den raat, dan is het van groot belang, dat ook de maat uniform is. Voor slinger- en tafelhonig is dit van minder gewicht, maar zoo goed als het een punt van overwegend belang is, dat op een stand één raamgrootte aanwezig is, evenzoo zijn er ook voordeelen aan verbonden, dat over een heel gebied in dit opzicht eenheid bestaat.

Het komt mij om billijkheidsreden voor, dat er een prijsvraag moet worden uitgeschreven om tot deze eenheid te komen. Het raampje moet echter vooraf worden vastgesteld; maar er zijn nog meer zaken waarop in het bijzonder dient gelet te worden, dat is het gemakkelijk reizen en vooral het gemakkelijk voeren van een groote hoeveelheid gedenatureerde suiker. Het flesschen- en ballonsysteem werkt mij niet snel genoeg, er gaat te weinig in en nu kan men zich wel redden met bakjes, maar nu de suikerverschaffing op de bijenhouderij zulk een grooten invloed kan uitoefenen, moet het opvoeren er van zoo veel mogelijk vergemakkelijkt zien te worden. Hoe het ook zij; het minste, wat gedaan kan worden, is het zich verklaren voor een bepaalde raamgrootte. Nu heerscht er in dit opzicht een Babylonische verwarring, die de ontwikkeling der imkerij in de goede richting tegenhoudt.

Ik voor mij ben, na vergelijking gedurende meerdere jaren van verschillende raampjes, thans tot de overtuiging gekomen, dat het Engelsche raam, uitwendig lang 35.5 cM. en hoog 21.6 cM., zeer goed is.
Ik heb eenige jaren aaneen dit raampje vergeleken met een, dat 36 cM. hoog en 25 c.M. breed is. De bedoeling was het winnen van honig in den raat. Het is mij daarbij gebleken dat in zeer gunstige jaren in beide ramen in de honigkamer gewerkt wordt, maar in matige jaren krijgt men de bijen met het lage raampje wel, met het hooge raampje niet in de honigkamer.

Het jaar 1912, met een voor onze streken zeer bijzondere zomerdracht, had ik in acht kasten met een laag raam de bijen overal in de honigkamer aan het werk en in zes kasten, met een hoog raam, nergens, niettegenstaande er moeite genoeg voor gedaan was geworden.
Indien op de zomerdracht een heidedracht gevolgd was zouden de bijen ten slotte ook wel in de honigruimte gewerkt hebben van de kasten met de hooge raampjes, maar nu bleef dit achterwege. De raampjes, die in de honigruimte stonden, waren ten slotte veel te zwaar geworden, van boven buitengewoon uitgebouwd en evenzoo in de ruimten tusschen wand en raampjes, zoodat de raampjes haast niet uit de kast konden verwijderd worden. Er was dus bouwdrift genoeg aanwezig geweest, maar de bijen gingen niet over de reeds aangebrachte honiglaag boven het broednest.

Het beginsel om de bijen in de honigruimte aan het werk te krijgen, heeft in Amerika er ook toe geleid om de raamhoogte steeds te verminderen, daar n.l., waar het er vooral om te doen was sectiehonig te winnen. Zoo had men achtereenvolgens het Dadant-, Langstroth- en Danzenbaker raampje, die achtereenvolgens een hoogte hebben van. 281, 228 en 187 mm.
Niettegenstaande de moeilijkheid grooter moest worden om bij de bijen het zwermen tegen te gaan, werd het raampje maar steeds verlaagd, om al den afgezetten honig in de honigruimte te krijgen.

Het Engelsche standaardraam geeft de bijen nog wel ruimte genoeg, om een smalle rand van verzegelden honig boven de broedruimte te plaatsen in het broednest, maar deze blijkt toch weinig hinderlijk, om ze nog verder naar boven te doen werken.

Het is duidelijk, dat er op twee manieren kan worden gewerkt. De eene manier kan worden aangeduid met het laat-maar-waaien-systeem, of beter met systeemloos. Dingen komen dan ook wel in orde, want het goede breekt zich ten slotte toch wel baan; maar het systematisch werken verdient toch de voorkeur, ofschoon het natuurlijk steeds iets kunstmatigs in zich heeft.
We zien dit laatste in Duitschland, waar het ongelukkige van achteraf behandelen veel te langen tijd op de voorgrond heeft gestaan; thans begint de Amerikaansche manier om bijen te houden meer en meer door te breken; maar nog sukkelt men met veel te hooge raampjes. Bij Duitschland behoeven we dus in dit opzicht niet in de leer te gaan, het Amerikaansche systeem wijst ons een beteren weg.
We zijn thans echter lang genoeg in de leer geweest, om te weten, wat we willen. Ik zou wel willen, dat meerderen zich op dit punt toch eens duidelijk lieten hooren.

Het winnen van honig in de raat moet meer en meer in ons land de toeleg worden. Zuivere honig in de raat is het reinste product der bijenteelt, het is een sieraad op den rijkst voorzienen disch, een onderwerp van het gesprek, het biedt nog de meeste waarborg van echtheid.
Waar dan ook een coöperatie wordt opgericht voor gezamenlijke verwerking van den honig, moet in de eerste plaats worden afgesproken, dat voor zuiveren raathonig een flinke som meer per kg. wordt uitbetaald. Wanneer maar reclame voor dit product wordt gemaakt, is het steeds voor goeden prijs te kwiteeren, maar de reclame ontbreekt echter te vaak en daarom wordt deze waar niet steeds naar verdienste betaald.

Het verslag der honigcommissie kan ons wel leeren dat we niet in de richting moeten werken om koekenbakkerhonig te winnen; de buitenlandsche honig zal daarbij steeds te sterk met ons kunnen concurreeren.We moeten het zoeken in de richting der consumptie. We moeten honig winnen voor direct menschelijk gebruik. Daarvoor worden natuurlijk veel hooger eischen gesteld dan voor den koekebakkershonig.

De eenige goede weg is de losse bouw met zoo weinig mogelijk vermenigvuldiging, maar die moet dan ook worden gekend. Het losse-bouw-bedrijf leert men niet slechts door lezen, maar veel meer door aanschouwen. Het is daarom meer dan noodzakelijk, dat er in ons land wordt opgericht een modelstand, die achtereenvolgens in verschillende deelen van het land zou kunnen werken. Ik bedoel, dat de bijen in dezen stand achtereenvolgens zouden kunnen genieten van de verschillende drachten in ons land. Er zou daarvoor moeten wezen één hoofdstand, met twee hulpstanden voor vroege en late dracht, de hoofdstand voor zomerdracht en winterverblijf.
Wanneer er nog eens iemand in ons land is, die wat voor het bijenbedrijf over heeft, moest die daarvoor een flinke som beschikbaar stellen. Hij zou daarmede een weldaad verrichten voor de ijmkerij, want een voorgaande keer heb ik het reeds voorgerekend, dat bij betere behandeling de bijenteelt jaarlijks eenige tonnen gouds meer zou kunnen opleveren.
Men zou er ook op deze wijze kunnen komen, om het quotum te brengen op f 1,- en jaarlijks 25 ct. ter zijde te leggen, dat zou een som van meer dan duizend gulden per jaar bedragen en in korten tijd zou met behulp van den Staat een voldoende som voorhanden zijn. Maar dit zal wel een utopie wezen; toch stel ik me voor, dat bij een energisch optreden op de eene of andere wijze wel middelen voor dit doel te verkrijgen zouden zijn.

We gaan den 23sten Januari snel tegemoet. Een zeer voorname zaak zal dan door de afgevaardigden besproken moeten worden. Een zaak, die voor onze vereeniging van het hoogste gewicht is.We zullen hopen dat deze dingen daar besproken worden, bezield met het verlangen om de ijmkerij vooruit te brengen en er mag gegronde hoop worden gekoesterd, dat dit zoo zal zijn.

Het is te hopen, dat deze besprekingen aanleiding zullen geven tot éénheid van handelen te komen. Wanneer dit streven voorzit, kan ons deze buitengewone vergadering niets dan goeds brengen en we gaan ze dan ook met goed vertrouwen tegemoet.

De bedoeling van dit opstel was eigenlijk, den leden een gelukkig Nieuwjaar te wenschen; maar ik zie, dat het tot een heel artikel is geworden. Ik hoop, dat men er vooral in zal lezen liefde voor onze vereeniging en voor den opbloei der Nederlandsche Bijenteelt en die spreekt meer dan alle goede heilwenschen, die wij kunnen doen.
Moge het Bestuur onzer vereeniging dit jaar gelukkig wezen met zijn maatregelen en de noodzakelijke voortvarendheid bezitten om de ijmkerij technisch en economisch vooruit te brengen.

Met economie, dat is de bevordering van de stoffelijke belangen, wordt nu getroeteld; maar ook een verbeterde techniek, dat is een betere deskundige behandeling, is noodig, om de stoffelijke belangen vooruit te helpen.
In alle opzichten is dus slechts heil te verwachten van verhoogde energie, niet in hulp van anderen, maar in zelfhelp.

H. Stienstra.