Vragen beantwoord.

Den heer A. B. te T. vraagt, of de bijen, die op een warmen dag omkwamen, doordat ze uitvlogen, alle slechte bijen waren, of dat er ook goede onder waren.

Hiermede wordt zeker bedoeld oude en jonge bijen of wel bijen, waarvan men in het voorjaar geen en wel voordeel zou hebben, indien ze aanwezig waren gebleven.
Het antwoord moet zijn, dat het omkomen dier bijen als een verlies moet worden beschouwd. Het schijnt wel onvermijdelijk, dat steeds enkele voorkomen, en dat zijn dan de oudste bijen, die buiten aan den tros zitten. Hoe minder er echter omkomen, hoe beter.

Hoe dit te voorkomen, is de tweede vraag. Door er voor te zorgen dat er op koude dagen, als de zon toch vriendelijk schijnt, geen uitvlucht plaats heeft. Den zonnestralen moet daarom belet worden, in het vlieggat te schijnen. Daarvoor plaatst men boven het vlieggat een plankje of een dakpan, die de zonnestralen belet naar binnen te dringen.
Meestal komen de bijen vlak voor den stand om, omdat ze zich op den grond, die koud is, neerzetten. Heeft er dus een uitvlucht plaats, dan kan men een stroomat over den grond uitspreiden, waarop de bijen zich neerzetten. Ze verkleumen dan niet en komen in den korf terug.

De heer van D. te F, vraagt, hoe of dit jaar de uitkomsten zijn geweest van de verschillende proeven met phacelia; of dit gewas al of niet gebleken is, als veevoeder dienst te kunnen doen.

In hoeverre de phacelia dienst kan doen als veevoeder, zou nu gemakkelijk kunnen worden uitgemaakt, indien degenen, die dit jaar er proeven mee namen, hun bevindingen maar ten beste gaven. Uit proeven, genomen in 1911, meldde de heer Rutbeek indertijd, dat het vee de phacelia in den aanvang niet gaarne opnam, maar dat dit later verbeterde en het zelfs graag at, na voldoende weide genoten te hebben.

Gaarne zou de Red. deze vraag beantwoord zien doordat verschillende personen, die in 1912 phacelia verbouwden als honiggewas en voor veevoeder.

H. Stienstra.