Voorstellen van de Honigcommissie,
aangaande de inrichting van eene handelskamer
voor de Vereeniging voor Bijenteelt in Nederland.

Gevolg gevende aan den wensen geuit in de motie op de vergadering van 23 Januari j.l. uitgesproken, heeft de honigcommissie de door haar reeds vroeger opgestelde statuten en het huishoudelijk reglement voor de Handelskamer nog eens aan een grondig onderzoek onderworpen, en ze ten slotte, opgemaakt op de wijze als zij in dit Maandschrift zijn afgedrukt. Bij het vaststellen ervan heeft de commissie, voor zoover mogelijk, rekening gehouden met de verlangens door verschillende personen op de vergadering uitgesproken.

Is het inrichten van statuten en reglementen voor vereenigingen in het algemeen geen gemakkelijk taak, in dit geval was het te lastig daar geen voorbeeld kon genomen worden aan gelijksoortige vereenigingen. De eenige ons bekende vereeniging welke eenige overeenkomst met de onze vertoont is de Nederlandsche Coöperatieve Bond, waaraan een Handelskamer is verbonden.

Van de statuten van dien Bond hebben wij dan ook bij het inrichten van de onze een gretig en dankbaar gebruik gemaakt. De commissie heeft gemeend, dat de Handelskamer ingericht als coöperatieve vereeniging volgens de wet van 17 November 1876, (Stbl. no. 227) zoowel voor hare deelgenooten, als voor derden de beste waarborgen van soliditeit zal opleveren en heeft om die reden, de statuten ingericht volgens de bepalingen van bovengenoemde wet. Ook voor de deelgenooten. zoude die vorm de beste zijn, doch wegens verschillende bezwaren (als kosten van oprichting, moeilijke administratie enz.) werd die vorm voor hen practisch onuitvoerbaar geacht.

Bij artikel 4 is dan ook bepaald, dat deelgenoot kunnen zijn, vereenigingen welke rechtspersoonlijkheid bezitten en wier leden lid zijn van de Vereeniging voor Bijenteelt. Daardoor is dan ook bereikt dat elke afdeling van de Vereeniging voor Bijenteelt, welke op hare statuten de koninklijke goedkeuring verkregen heeft, deelgenoote kan worden van die H.K.

De commissie meent dan ook dat daar, waar behoefte aan de H.K. algemeen wordt gevoeld, de afdeeling zich zal aansluiten, zoodat dus op deze wijze het is mogelijk gemaakt dat tenminste alle afdeelingen zich kunnen aansluiten, zij het dan ook, dat zulks niet voor de leden afzonderlijk mogelijk is. Wilde men dit verkrijgen zoo zou een rubriek buitengewone leden moeten worden geschapen én wegens te groote administratie moeilijkheden én wegens de te moeilijke contrôle op de door die buitengewone leden te leveren producten, heeft de commissie gemeend deze rubriek niet te mogen toelaten.

Teneinde voldoende zekerheid te hebben dat eene vereeniging, welke toelating tot de H.K. aanvraagt, in staat zal zijn hare verplichtingen ten opzichte van die Kamer na te komen, worden hare statuten opgevraagd, zoals zulks bij art. 4 is bepaald. Die statuten zullen daaromtrent. uitsluitsel dienen te geven.

Volgens art. 15 is het ook mogelijk, dat indien deelgenoten alleen van den gemeenschappelijke aankoop willen gebruik maken, zij ook minder aan de H.K. bijdragen, dit zal misschien door sommige afdeelingen worden verlangd.
Wat betreft de artikelen over de wijze van vorming van het bedrijfskapitaal, en van het reservefonds, over de aansprakelijkheid en over de bijdragen der deelgenooten (art. 8, 15, 16 enz.), deze zijn ongeveer gelijkluidend met die overeenkomstige artikelen in de statuten van den Ned. Coöp Bond, of ze voor ons ook zullen voldoen zal de practijk moeten leeren.

Wat nu betreft de nadere inrichting en werkwijze, zoals die ongeveer bij H.R. zal moeten worden geregeld, wij meenden daaromtrent nog niet te veel te moeten vaststellen, ook hier moet de practijk ons den weg wijzen.
De verkoop van honig en was wordt voor een groot deel voorloopig aan de deelgenooten overgelaten, daar deze hunne cliëntèle eenmaal hebben en het dus noch voor de deelgenooten, noch voor de H.K. voordeelig zoude kunnen zijn daarmee te breken. Op den duur zal die handel meest in handen dienen te komen van de H.K., welke dan als centraal verkoopbureau fungeert. Omtrent die wijze waarop die handel voorloopig verder is geregeld, spreken de artikelen in het huishoudelijk reglement.

De wijze waarop door den bij art. 6 van het H.R. bedoelden controleur zal worden gekeurd, is nog niet vastgesteld, de commissie staat de meening voor daarbij den Codex Alimentarius (welke binnenkort verschijnen zal) te volgen.
Hoe een etiquet of merk zal worden ingericht is ook een questie welke door de commissie nog in onderzoek wordt gehouden.

Bij het eindigen van dit verslag mag een woord van dank niet ontbreken aan de redactie voor die bereidwillendheid, waarmede zij die te laat ingezonden stukken van de commissie heeft behandeld. Oorzaak daarvan was eene ongesteldheid van den secretaris dier commissie, welke er tevens heeft toe bijgedragen dat het verslag beknopter werd dan de commissie zich voorstelde.

Ten slotte eindigen wij met de wensch dat onze voorstellen een goed onthaal bij die lezers mogen vinden en tot vele opmerkingen in het Maandschrift van April mogen, aanleiding geven.