Het verhaal van de Honigbij,
door Tickner Edwardes,
is een boek, vertaald uit het Engelsch, door Mevrouw M. van Vloten en uitgegeven door de Wereldbibliotheek, waarvoor de Red. van deze bibliotheek zeker vanwege de Nederlandsche ijmkerij, dank verdient het te hebben uitgegeven.
Zulk een boek toch is in staat, om en zal zeker de ijmkerij in ons land ten goede komen. Ieder ijmker, die van goede lectuur houdt, moet dit boek gaan lezen. De stijl, waarin het geschreven is, maakt, dat men het boek steeds weer ter hand zal nemen en de geschiedenis der honigbij wordt erin op zeer interessante wijze medegedeeld en bovendien ook naar waarheid.
Natuurlijk laat de schrijver zijn fantasie voortdurend werken, want het is geen boek, dat geschreven is om wetenschappelijke mededelingen te doen, maar om den lezer aangenaam bezig te houden; maar toch geschiedt dit op een zoodanige wijze, dat men er veel uit kan leeren, zoowel de aanvanger als ook de ervaren ijmker.
De inleiding bespreekt de bijenteelt als het oudste bedrijf onder de zon. Daarna vertelt ons de schrijver wat de oudste schrijvers over bijenteelt ons alzoo mededeelden en dan blijkt het, welke wonderlijke denkbeelden men al niet had over het leven der bijen.
De wonderbaarlijke regelmaat der bijenmaatschappij en de juistheid van handelen, die ook nu nog de bewondering van deskundige en leek afdwingen, omhulde in de oudheid het leven der bijen met een mysterie, zoodat de fantasie aan de bij zelfs het onmogelijke toekende. Even zoo behandelen de twee volgende hoofdstukken de bijenteelt uit de grijze oudheid, waarna de schrijver overgaat met het leven der bijen zelve te bespreken, allereerst door na te gaan met wat er al "voor de stadspoorten" geschiedt. Dit geeft aanleiding tot het stellen van allerlei vragen: "Wat is de reden van al dit ernstig en zoo juist geordend werken"? Wat de uitkomst? Wat gebeurt er met het stuifmeel, dat den heelen morgen wordt ingezameld? Waar zulk een ingewikkeld systeem, zulke eensgezindheid blijkt, en zulk eene vernuftige regeling der werkzaamheden, moet noodzakelijk, een heerschend en leidend intellekt bestaan, dat ieder zijn taak in het geheel aanwijst". Al deze vragen worden in de volgende hoofdstukken behandeld. De laatste in het volgende, dat getiteld is: "de republiek binnen de korven"
Gaarne vergelijkt de schrijver het werk der bijen met dat der menschen. Zoo bijv. de wijze waarop in de volken de zindelijkheid wordt gehandhaafd gedurende den tijd, als de bijen in den winter zijn opgesloten en geen uitvluchten kunnen maken.
Welk een diepgaand probleem, het behoud der zindelijkheid in de korven is, kan men alleen dan benaderen, wanneer men de zaak in zijn geheelen omvang beschouwt, en dan van een menschelijk standpunt gezien. Vraag eens, hoeveel hoop op succes het grootste gezondheidskundig genie van de wereld zou kunnen hebben, als hij stond voor het probleem, een gebouw volkomen zindelijk en volmaakt geventileerd te houden, waar 10.000 menschen opeengehoopt in verdiepingen boven elkaar moesten leven; een gebouw, dat van boven tot onder hermetisch dicht was, met uitzondering van een kleine opening, de eenige in- en uitgang voor al de bewoners, en tegelijk het eenige afvoerkanaal voor de bedorven - en toegang - voor de zuivere lucht."
Toch schrijft schrijver dit maar niet enkel toe aan een soort van instinkt, want zegt hij: „Instinkt zou haar nooit op een dwaalspoor leiden; maar voor de rede is er mogelijkheid van dwalen en hier dwaalt zij geweldig" en dat hier slaat op het geval, dat de bijen soms den hongerdood sterven, te midden van overvloed en dat als slachtoffer van haar eigen hoogtepunt van ontwikkeling, want slechts na een reinigingsvlucht verplaatst de bijentros zich naar nog onaangetaste raten met honig, daar hecht ze zich omheen, om langzaam op- of achterwaarts den voorraad op te teren. Een uitvlucht is noodig, om zich te ontdoen van de uitwerpselen en tevens om zich te verplaatsen, naar dat deel der woning, waar voorraad is opgeslagen. Bij de inrichting van tasten is het daarom ook een voorname eisch, dat de voorraad zoo kan worden aangebracht, dat deze zonder groote verplaatsingen kan worden opgeteerd.
De ijmker wil vaak met zijn oordeel tusschenbeide treden, en brengt hier of daar luchtgaten aan voor betere ventilatie; maar Edwardes zegt: "De bijen werken naar heel andere beginselen", de bijen maken in den nacht de luchtgaten weer dicht.
In het hoofdstuk over het ontstaan der koningin worden o.a. deze waarheden naar voren gebracht:
1e. dat ééne groote kolonie meer honig oplegt dan twee kleine, al is het getal bijen gelijk;
2e. en dat, als de honigoogst op zijn voordeeligst is, er zelden bijen genoeg zijn, om hem binnen te halen.
De groote kunst van het hedendaagsche ijmkeren komt dan ook hierop neer, dat de bijenhouders er zich voornamelijk op toeleggen de getalsterkte van iedere kolonie tot haar maximum te brengen, tegen dat de groote honig overvloed op komst is.
Van de koningin zegt hij: "Maar de waarheid dient gezegd, dat de bijenkoningin de grootst denkbare tegenstelling vormt van een heerscheres, in aard en neigingen". Van intellekt heeft zij niet meer dan een zeer geringe aanduiding. Zij heeft een prachtig lichaam, de uiterste volgzaamheid, eenige onweerhoudbare aanvechtingen en hartstochten, en een echt vrouwelijk zich geven en hang naar het juk; maar zij is niet in staat tot één handeling, die niet uit lichamelijken aandrang ontstaat. Haar hersensubstantie is veel geringer dan die der werkbijen, en zij is in heel veel andere opzichten haar mindere.
De werkbijen beheerschen haar geheel; zij ontwerpen voor haar de dagorde en gebruiken haar tot het welzijn van de kolonie, in denzelfden geest als in de menschenwereld een fijn en kostbaar mechanisme door een vakman gebruikt wordt, om eenig waardevol handelsartikel te vervaardigen. De rol, die, volgens den schrijver, de koningin in de bijenstaat vervult, is eene ondergeschikte. Hij zegt daarvan: "Met ieder uur krijgen wij de bewijzen, dat de moederbij een ondergeschikte en niet een heerscheres in den korf is, en even zeker blijft ons het alvermogen van de werkbijen. Alles wat in den korf gebeurt, geschiedt door haar collektieven wil en bemiddeling, en het zou zeker heel vreemd zijn, als het levenselement der voortplanting niet onderworpen was aan dezelfde oppermacht." Deze uitspraak volgt natuurlijk, nadat een breede beschouwing daarover is gegeven.
Van het Engelsche bijenras wordt het volgende gezegd, en dit stemt geheel overeen met de ondervinding in andere landen, vooral in Duitschland, opgedaan en waaraan dus ook wij ons hebben te spiegelen: "Sedert de Italiaansche bij, ongeveer een halve eeuw geleden, naar Engeland is overgebracht, is er zeker een aanmerkelijke wijziging gekomen in het Engelsche ras. Zelfs twijfelen eenige autoriteiten er aan, of er in werkelijkheid nog wel volkomen raszuivere Engelsche bijen over zijn. Men ziet de gouden gordels van de Italiaansche op de onmogelijkste plaatsen opduiken; het vreemde bloed schijnt overal in het ras te zijn doorgedrongen, behalve in de allerverste uithoeken. Het is zeker te betreuren, hoewel dit berouw nu te laat komt, dat men ooit die ongewenschte vreemdelingen op onze terreinen toeliet. Wat in eenig land gedijt en er blijft voortbestaan, moet voor dat bijzondere land wel het best geschikt zijn, en deze zuidelijke bijenrassen schijnen, zeer in het nadeel van onzen Engelschen stam, aan het ras eigenaardigheden te hebben teruggegeven, die bij de inheemsche bij door lange kultuur geheel verdwenen waren". Verder heet het: "Het zijn de eerste kruisingen met de inheemsche bij, die zich zoo uitdagend en wraakzuchtig aanstellen, en daaraan heeft het geheele ras zijn slechten naam te danken."
Voor Zuid-Engeland vooral is, volgens den schrijver, de klaver hoofdbron voor den honig en dit wordt vooral veroorzaakt door de tegenwoordige wijze van het land te bebouwen. Dat is dus een richting, waarin het honig gewin bij ons ook gaat. De heide vermindert en nieuwe ontginningen bezitten veel klaver. De Schotten willen van niets anders hooren dan van hei; de dopheide-honig vinden ze goed, maar die van de struikheide afkomstig is, achten ze onvergelijkelijk veel beter. Een uitspraak, waarmede wij ons voordeel kunnen doen. Eén honigcombinatie is er, die echter, volgens den schrijver, boven alles uit gaat en dat is die, welke afkomstig is, deels van meidoorn, deels van den appelbloesem.
Om nog een idée te geven, dat uit het boek veel te leeren is, laat ik hier nog enkele uitspraken volgen uit de vele, die ik noteerde:
"De cellen van werksters en darren zijn van zuivere was, maar de deksels ervan zijn van was en stuifmeel. De koninginnecel wordt uitsluitend uit deze poreuze stof gemaakt."
"In het dekseltje der cel eener koningin, wordt een gaatje geboord, om deze te voeden, als ze gereed is, maar nog niet kan uitloopen, omdat een andere koningin nog aanwezig is."
"Na den derden dag beginnen de voortplantingsorganen zich bij de larven te ontwikkelen, wanneer bij deze met het rijk stikstofhoudend dieet wordt voortgegaan."
Was de cel rond, waarin de larve vertoeft, dan zou ze de geheele ruimte vullen, en de lucht zou moeilijk de tracheeën of luchtgaten van het achterlijf kunnen bereiken, daarom zijn ze zeshoekig. Nu kunnen de cellen nooit geheel worden opgevuld.
"Het geluid, dat de bij maakt, is niet één stem; maar een geheel koor, en zij beschikt over een omvang van wel 1½ oktaaf. Ieder van haar 14 tracheeën en ook ieder van haar vleugels kan een toon voortbrengen."
"Aan een der kniegewrichten van haar achterpootjes heeft de werkbij een bijzonder werktuigje, waarvan bij de koningin geen spoor te bekennen is. Het ziet er uit als een soort tangetje; maar in plaats van twee tot elkaar neigende punten, is het aan den eenen kant voorzien van een rij scherpe, stijve haren en om den anderen van een ondiep lepeltje. Met dit bijzonder instrumentje grijpt de metselbij het wasschubbetje, en trekt het uit zijn zakje. Het wordt dan overgebracht tusschen haar kaken en zij haast zich er mee naar de raten."
Het hier aangegeven kan meer dan voldoende bewijzen, dat er veel uit dit boek is te leeren en dat op zoo'n aangename en bijzonder uitlokkende manier, dat het boek slechts ongaarne terzijde wordt gelegd.
Ten slotte wil ik nog aantoonen, dat het ook tot onderzoek aanspoort en die lezeressen of lezers, welke zich daartoe voelen aangetrokken, noodig ik uit aan het volgende hun krachten te beproeven.
1. "Of de oude koningin zelve een ei in de Koninklijke cel legt en op die wijze onwetend haar eigen onttroning voorbereidt; of dat de werkbijen een ei of larve uit een gewone cel naar die moederwieg overbrengen, is nog niet vastgesteld."
Naar aanleiding van de raadselachtige wijze, waarop soms moerlooze volken nog weer een koningin krijgen.
2. "Eén gevolgtrekking is slechts te maken, dat een ondernemende bij uit de kolonie naar een anderen korf moet gevlogen zijn en er een werksterei gevraagd, geleend of gestolen moet hebben. Wetenschappelijke bijenkenners aarzelen, en terecht, na een enkel voorbeeld, aan de bij zulk een wonderlijk vernuft toe te kennen."
3. "Toen de bijen bij honig alleen werden toegelaten, gebruikten zij er vijf of zes pond van gedurende den tijd, dat er één pond was werd afgescheiden. Maar kregen zij in dien tijd zuivere rietsuikerstroop, dan werd er veel meer was gemaakt. De chemische samenstelling van verschen nektar en rietsuiker is ongeveer gelijk; maar gerijpte honig bevat feitelijk zoo goed als geen rietsuiker."
Hieruit zou dan afgeleid moeten worden, dat de ratenbouw voornamelijk wordt vervaardigd direct uit verteerden nektar en daarmede zou ook het feit te verklaren zijn, dat zwermen zoo verbazend snel bouwen.
Ik heb gemeend, naar aanleiding, dat mij dit boek ter bespreking werd toegezonden, dit eenigszins uitvoerig te moeten doen, maar tot heden ontbrak daarvoor plaatsruimte. Na wat reeds ervan gezegd is, is feitelijk een afzonderlijke aanbeveling niet meer noodig. Toch wil ik dit artikel niet eindigen zonder de vertaalster van dit boek mijn warme hulde te brengen, voor de hoogst verdienstelijke wijze, waarop het in het Nederlandsch is overgezet; mede daarvoor dat dit boek een krachtig middel zal blijken de ijmkerij in Nederland meer populair te maken.
H. Stienstra.