Een nieuwe bijenkorf (systeem Boxma).
Er zijn er die beweren dat de vaste bouw in de bijenteelt zijn tijd heeft gehad en dat weldra de losse bouw in bijenkasten met losse raampjes overal zal worden beoefend, omdat deze zooveel voordeelen oplevert en dermate door gemakkelijkheid van bewerking uitmunt, dat hij overal moet worden ingevoerd en zich met geweld aan de bijenhouders opdringt.
Maar er zijn nog heel wat imkers die den vasten bouw boven den lossen verkiezen, omdat de losse te duur en werkzaam is, twee eigenschappen, die niet te onderschatten zijn. Bovendien, de imker, die bij den vasten bouw is opgegroeid en oud geworden, gooit zoo maar niet een, twee, drie, zijn goedkoope en warme strookorven weg, om dure en werkzame kasten te bestellen; te meer, daar hij niet altijd weet, of hij in het najaar wel voor zijn honig een goeden prijs zal kunnen bedingen.
En nu moge men al beweren, dat men met den vasten bouw geen baas over de bijen is, met den lossen is dat ook niet altijd het geval; ook kan met gewoone kasten moeilijk gereisd worden. Dat dus de imkers den vasten bouw nog zoo spoedig niet verlaten kunnen, is aan de meesten niet kwalijk te nemen. Gedurig zijn er dan ook pogingen in het werk gesteld, om den ouderwetschen korf dermate te wijzigen, dat hij op de wijze van den lossen bouw kon gebruikt worden.
Iets nieuws op dit gebied, en naar het schijnt ook iets practisch, is de nieuwe bijenkorf, uitgevonden door den heer T. Boxma, Rolderstraat, Assen. Deze man heeft reeds 38 jaar geïmkerd en is zoowel met den lossen- als met den vasten bouw op de hoogte. Hij bezit achter zijn huis een netjes ingerichten bijenstal met zwaar bevolkte ouderwetsche korven, Hollandsche magazijnkasten en Gravenhorster boogkorven. Omdat evenwel de losse bouw zoo verbazend werkzaam is en voor een liefhebber te duur, vroeg hij zich af, op welke wijze hij den gewonen bijenkorf het goedkoopst en het gemakkelijkst kon verbeteren. Na lang nadenken bedacht hij een bijenkorf van een heel bijzonderen vorm, dien hij als bij den lossen bouw van boven kon behandelen, n.l. een cylinder, plm. 50 cm. hoog, die van boven en van onderen open is.
Boven in den korf, in den eersten strooril, op 7 tot 10 mm. afstand van het deksel, dat er opkomt, plaatste hij 10 latjes, ter breedte van een honigraat, 7 mm van elkander, evenals de raampjes van een kast, waaraan de raten moeten hangen. En om de bijen hierin een beetje tegemoet te komen, bevestigde hij aan het 3e, 5e en 8e latje een eindje kunstraat als voorbouw. In die latjes werd n.l. met een schropzaagje een gleufje gezaagd, 8 cm lang, daarin kwam een stukje kunstraat van 8 bij 4 cm; het werd in de gleuf gestoken en van boven met een heet mes op het latje vastgestreken.
Daarna wordt op ouderwetsche wijze stokjes door den korf gestoken, rechthoekig op het vlak der latjes staande, en dienend om de raten te steunen. Boven op den korf werd een platte stroodeksel gezet, dat met haken aan den korf werd vastgemaakt; en om te maken dat daar boven geen tocht door kon komen, werd de reet tusschen het deksel en den korf met leem dicht gesmeerd. In dezen korf is een zwerm gedaan en moeten de bijen werken. Als de broedruimte voldoende gevuld is, wordt zij van onderen met een rond stuk bordpapier, dat juist in den korf past, afgesloten; er worden een paar houten pinnen voor de stevigheid ondergestoken en — het deksel wordt van den korf losgemaakt.
Een rand of opzetter met latjes, geheel er uitziend als de vier eerste rillen van den korf wordt er boven opgezet; hierop komt weer het deksel en de gleuf er tusschen wordt weer dichtgesmeerd met leem. De bijen, die nu niet meer naar onderen kunnen, moeten naar boven gaan werken en vullen dus den op den korf geplaatsten rand met raathonig. Is er overvloedige dracht, dan plaatst men tusschen den korf en den rand nog een tweeden rand als opzetter. En wil men wat van dien raathonig hebben, dan maakt men den opzetter los en snijdt den honig er uit. En in het najaar, als de honig moet worden verkocht, worden eenvoudig de opzetters van den korf afgenomen en de raten er uit verkocht. En het stroodeksel komt weer op den bijenkorf, het bordpapier wordt er onder weggenomen en de bijen worden weggezet en gevoederd, om door den winter te komen en behoeven dus niet te worden geslacht.

De heer Boxma, met zijn nieuwen korf, met los plat deksel en twee opzetranden,
waarin de raathonig moet worden geproduceerd, die kan worden verwijderd, zonder het broednest te beschadigen.
De voordeelen aan dezen korf verbonden zijn:
1. De bijenkorf is zeer goedkoop en warm; want hij bestaat, als de ouderwetsche korf, slechts uit stroo. Iedereen kan hem maken.
2. Men kan de bijen, evenals bij den lossen bouw, van boven behandelen en ten allen tijde in Augustus reeds honig uitsnijden.
3. De korf heeft geen losse raampjes; dus kan men er even als met den ouderwetschen strookorf, mee naar de heide reizen.
4. Het aftrommelen van den eenen korf in den anderen gaat aller gemakkelijkst; want men behoeft het deksel van den ondersten korf slechts los te maken, den nieuwen korf er op te zetten en men kan trommelen zooveel men wil.
5. Men behoeft, om den korf te slachten, de bijen niet dood te zwavelen; men kan zelfs
6. op de heide den tafelhonig er uitnemen, dan het bordpapier er onder wegnemen en de bijen nog een poosje voor den winter laten werken.
Wij wenschen den heer Boxma met zijne uitvinding geluk en twijfelen niet, of deze korven, waarvan hij er een tiental in gebruik genomen heeft, zullen hem prachtige resultaten opleveren. Ook zal hij spoedig overal navolgers vinden; want zijn nieuwe korf is gemakkelijk na te maken en bovendien goedkoop en praktisch.
J. Stam.

De heer Boxma met geopenden korf, waaruit blijkt hoe den bijen den weg wordt gewezen.
Ze bouwen op deze wijze volkomen zuiver. Men ziet, dat in de broedruimte 10 raten komen, in de honigruimte 7. Slechts op het 3de en 5de is voorbouw gegeven, wat voldoende bleek.
Zoo krijgt men dan honig in de raat zonder eenige kunstraat.
Bij den linkervoet het karton, waarmede de broedruimte; beneden wordt afgesloten, als de honigkamer wordt geplaatst.