INGEZONDEN.


Moet de huidige toestand bestendigd blijven?

Ten einde tot een bevredigend antwoord op bovenstaande vraag te komen, geef ik den afdeelingsbesturen onzer vereeniging in overweging om in hun ledenvergaderingen de vraag te bespreken of de regeling onzer vereeniging, en wel speciaal die welke de dienstregeling van onzen algemeen geachten en hooggeschatten leeraar geldt, gehandhaafd moet blijven. De heer Hootsen, voormalig hoofdbestuurslid, betitelde de diensten, welke wij en ons hoofdbestuur van den heer van Giersbergen verlangden, als loopjongensdiensten, en gaan tal van leden onzer vereeniging tegenwoordig met dat vernietigend oordeel accoord. Een secretaris eener afdeeling schreef mij: „Dat is zeker, onze leeraar is tegenwoordig geen „leeraar" meer, doch inderdaad "loopjongen", maar Z. Ed. schijnt het hiermede eens te zijn, anders zou hij zich al die baantjes niet laten welgevallen.

Met deze toevoeging ben ik het echter totaal niet eens, want al antwoordde de voorzitter mij op de laatste vergadering, in antwoord op mijn bemerking, dat het H. B. wel den voor hen gemakkelijkste, doch voor de vereeniging niet den besten weg gekozen had, met de woorden, dat wel degelijk eerst aan dan leeraar gevraagd was of hij bezwaar had tegen tijdelijke vervulling van het secr.-penningmeesterschap. Zoo staat het bij mij aan gegronden twijfel bloot, of de leeraar wel als geheel "vrij" in het beantwoorden van een dergelijke vraag mag beschouwd worden. Hij toch is "bezoldigd ambtenaar" der vereeniging, het hoofdbestuur is zijn onmiddellijke, ja eenige chef, en in zoo'n geval is het voor een ambtenaar moeilijk, zoo niet gevaarlijk, te weigeren.

Als men de positie van den heer v. Giersbergen in eenige korte versregels zou willen omschrijven, dan kan men dat al niet beter doen, dan door te zeggen, dat hij van het onder het H. B., als reederij, varende scheepje is:
The cook and the captain bold,
And the mate of the Nancy-brig,
And the boatsman and the midshipsmite,
And the crew of the captain's gig.
Hij is immers aan boord van ons vereenigingsvaartuig Alles en Allen in één; zoowel kapitein als kok, zoowel stuurman als schipper, zoowel bootsman als adelborst en bemanning van de kapiteinssloep; het laatste misschien nog het meest.

Met volledige kennis van dit begrip is dan ook het antwoord van den voorzitter te verklaren, die gelijk op den cursus te Leiden verkondigd werd, op de vraag van een hoofdambtenaar der regeering, of v. Giersbergen als leeraar der vereeniging gemist kon worden, en tot rijksleeraar aangesteld, geantwoord zou hebben: „Als de vereeniging hem als leeraar moet missen, ligt zij op den rug"! Met dit antwoord, indien aldus gegeven, kan ik mij echter totaal niet vereenigen, en zullen ongetwijfeld verscheiden uwer het met mij eens zijn, dat het juister hadde geluid: „Zeer zeker, doch dan ligt het hoofdbestuur met zijn tegenwoordige wijze van werken op den rug."
Ik betwijfel ten zeerste, of die laatste toevoeging dan zou verhinderd hebben dat de door het rijk bekostigde leeraar nu verder ook geheel in dienst van het rijk en niet als ambtenaar van, doch als ambtenaar naast de vereeniging werkzaam zoude zijn gesteld; wel echter zou de methode van besturen onzer vereeniging onmiddellijk een radicale wijziging hebben moeten ondergaan.

Voor zooverre ik in deze jaren in het werken van ons hoofdbestuur eenig inzicht heb kunnen krijgen, is dit mijn conclusie: „Zoodra er maar iets te doen valt, roept het H. B. den leeraar en zegt: "och, knap jij dit zaakje eens even voor ons op, want wij hebben er geen tijd voor."
Als gevolg daarvan bekleedt de leeraar op dit moment de volgende functies, welke zeer beslist de zijne niet behoefden te zijn.
a. bibliothecaris met veel rompslomperig gedoe;
b. secretaris-penningmeester met idem, idem;
c. beredderaar van de gansche suikerlevering, waartoe dus behoort het confereeren met suikerraffinaderij, inkoop van benoodigde mengstoffen, vermengen van al die stoffen en expeditie aan de aanvragers, hetgeen met de daarbij behoorende correspondentie, ontvangst van geldzendingen enz., een zeer omvangrijk gedoe is;
d. voorbereider en inrichter van tentoonstellingen, controleur, of anders gezegd, dwarskijker van cursussen, welke n.l. niet door hem als leeraar voor bijenteelt, doch door andere personen gegeven moeten worden.
Tot deze lijst behoorde geruimen tijd ook nog de functie van secretaris der honingcommissie, wat ongeacht en ten deele tevens juist door de enorme werkkracht van ons ijverig hoofdbestuurslid Sprenger ongetwijfeld geen sinecure geweest is.

En behalve deze opdrachten, waar wij van vernamen, zijn er ongetwijfeld tal van andere opdrachten door het H. B. gegeven, waar nog geen haan naar kraaide, doch die terdege medegewerkt zullen hebben om des leeraars tijd en werkkracht in beslag te nemen, terwijl verder de landbouwschool, en zeer terecht, ook het Rijk, een meer of minder belangrijk gedeelte van zijn tijd in beslag nemen.

Valt het dan nog te verwonderen dat men onder de leden der vereeniging tot de opmerking komt dat onze leeraar geen leeraar meer is, en is het niet meer dan treurig, dat wij moeten constateeren dat voor het houden van losse voordrachten, laat staan nog voor het geven van cursussen, juist niet de eenigste aangewezen persoon, onze leeraar voor bijenteelt, beschikbaar is, doch de afdeelingsbesturen aan het zoeken moeten gaan onder de daarvoor eerst in de tweede plaats in aanmerking komende personen, die krachtens hun afgelegd examen, of door hun op het gebied der bijenteelt als amateur ingenomen standpunt, door het hoofdbestuur als voldoende geschikt geacht worden voor cursusleider? Is het niet een gebruik maken van minder goede en een versnipperen van prima krachten?

Als lid-rapporteur der commissie van toezicht op de onlangs te Leiden gehouden cursus heb ik dan ook gemeend, in het aan het H. B. uitgebrachte verslag te moeten voorstellen, de rollen van den heer van Giersbergen en die der thans voor leider optredende heeren voortaan om te keeren, d.w.z., die heeren voortaan zoonoodig uit te noodigen om op kosten der vereeniging losse voordrachten te houden, doch den leeraar uitsluitend te bestemmen voor cursusleider. In dat rapport schetste ik de wijze, waarop ongeveer elk imker van Nederland binnen eenige jaren van een prima cursus, zoowel theoretisch als practisch, en gegeven door den in ons land meest bevoegden leeraar, zoude kunnen worden genoten.

Of aan deze wenk door het H. B. gevolg zal worden gegeven?
Gezien het verleden en het heden zoude ik er aan twijfelen, indien de vereeniging als axioma bleef aannemen, dat gelijk het H. B. handelt of niet-handelt "goed gehandeld" is, en er niet van uit ons midden een krachtigen, niet te-misverstanen wenk zoude worden gegeven, dat wij wenschen dat de zetel in het H. B. niet vooral beschouwd wordt als een eerepostje, als een titel, waarmede eventueel tegenover de buitenwereld kan worden „gegeurd", doch dat een ieder, die tot zoodanig benoemd wordt en zich die keuze laat welgevallen, heeft te bedenken dat de vereeniging wil en eischt, dat hij zelf werkt in den geest, zooals die uit de algemeene vergaderingen en uit het Orgaan der vereeniging blijkt; dat dus niet voor elk wissewasje een ambtenaar geroepen, of bij diens afwezigheid, er even een gecreëerd wordt, doch dat men als hoofdbestuurslid zelf heeft aan te pakken.

Bibliothecariaat, secretaris-penningmeesterschap enz., enz., enz. moeten op andere wijze dan tot dusverre worden vervuld en het wachtwoord luidde: “Handen af van den leeraar; dien hebben wij noodig en niet gij."

Aan de betrokken regeeringspersonen hierbij daarom mijn gratis advies om, ter voorkoming dat wij als vereeniging in onze sleur blijven volharden, en ter bevordering op doeltreffender wijze van het doel dat het gouvernement beoogde, met de subsideering van onze vereeniging niet te talmen, doch den leeraar aan de grijphanden van onze vereeniging en hoofdbestuur te onttrekken, door hetzij hem in rijksdienst over te nemen, hetzij hem te doen bezigen, en ons dit gebiedend voor te schrijven voor zijn oorspronkelijke bestemming, n.l. bij den ijmkers in Nederland het begrip tot rijpheid te brengen, hoe zij de bijenteelt hebben aan te vatten, om er de beste vruchten van te plukken.

Ik voel mij overtuigd dat bijv. met den heer van Giersbergen niet in, doch naast en in vereeniging met onze corporatie optredende, er zoowel door hem als door ons, veel meer en alles spoediger zal bereikt worden, dan bijaldien de tegenwoordige toestand bestendigd blijft; wij vereenigingsleden zelf zullen ongetwijfeld de handen veel duchtiger uit de mouwen steken, indien wij niet meer kunnen voortgaan hem voor alles op te laten draaien, en ons alleen te vermoeien met het leveren van critiek op hetgeen door hem gedaan wordt, en als door den gedwongen arbeid ook weder de lust in geregelden, voortschrijdende arbeid gekomen is, dan zie ik ook het oogenblik niet meer verre, dat van onze vereeniging door het gansche land getuigd zal worden, dat het er een is, die er wezen mag, een die medetelt onder de werkzame, nuttige vereenigingen van den tegenwoordigen tijd.

Hoewel men mij wellicht zal tegenwerpen, dat het niet gemakkelijk zal zijn om bestuursleden te vinden, die geneigd en geschikt zijn, om zooveel tijd en kracht aan onze vereeniging te geven, geloof ik toch, dat er onder de ruim 6000 wel 5 of 6 te vinden zullen zij, en doet het mij leed, dat ik zelf niet onder de eersten kan zijn, die mij daarvoor beschikbaar stellen kan, om te bewijzen dat het niet onmogelijk is.

Aan U, imkers van Nederland, thans om te beoordeelen, of wij op het tegenwoordige standpunt zullen blijven staan of niet; geprutsel gelijk thans, is stilstand en "vooruit" zij steeds het doel van uw verenigingsleven.

J.C. STAM,
Leiden, 25 Augustus 1913.