Snelvoedertoestel.
Daar het voederen met de bekende blikken doos van Kelting te veel tijd vraagt om spoedig te kunnen afvoederen, en ook de tot dusver gebruikte flesschen en andere toestellen hetzelfde bezwaar hebben, trof mij bijzonder het toestel door den heer Te Velthuis uitgedacht en beschreven in No.10 van het Maandschrift voor Bijenteelt", 1913.
Dit toestel is zeer zeker een groote verbetering, omdat het gelegenheid geeft, waar anders slechts één flesch, zij het van grooter inhoud dan de zijne, wordt gegeven, er nu wel 10 of 12 tegelijk geplaatst kunnen worden. Toch zijn er nog bezwaren aan zijn toestel verbonden, o.a. de groote kans dat een of meer flesschen kunnen leegloopen en daardoor veel bijen verdrinken zullen; de moeilijkheid van goede afdekking tegen afkoeling tijdens de voedering enz.
De bezwaren aan de tot dusver gevolgde methodes verbonden, gaf mij dit jaar aanleiding ook eens ernstig over een beter toestel na te denken, met het gevolg dat ik een toestel ontwierp en deed maken, dat, blijkens de proeven er mede genomen, mij uitermate goed is bevallen en waarvan ik bij deze eene beschrijving geef met den wensch hiermede ook een steentje te hebben bijgebracht tot het bereiken van het beste.
Het toestel bestaat uit een houten rand, gelijk in afmeting met de broedkamer, waarop die geplaatst zal worden en 5 à 6 cm. hoog. In dien rand een zinken bak die met omgebogen kant op den bovenkant van den houten rand kan hangen en waarvan de bodem 1 cm. hooger ligt dan de onderkant van den houten rand.

De bak is in twee helften verdeeld door twee scheidingswandjes, plm. 2 cm. van elkander geplaatst, boven omgebogen, om de bijen gelegenheid te geven daarop te kunnen wandelen en onder zooveel doorhangende, als de bodem hooger ligt dan de houten rand, zoodat de onderkanten dier wandjes gelijk met den houten rand zijn en zoodoende op het deklakentje sluiten.

De bodem van den zinken bak is tusschen de scheidingswandjes weggenomen, zodat de bak op de broedkamer geplaatst, met de sleuf dwars over de raampjes, de bijen gelegenheid hebben uit ieder straatje onmiddellijk naar den bak op te stijgen.
Door een of meer buisjes door de scheidingswandjes hebben de twee helften van den bak met elkander gemeenschap, zodat het voedsel in de ééne helft gestort, in de andere helft kan doorloopen.
In elke helft is nu nog een stuk vertind ijzergaas gelegd, dat juist past tegen een scheidingswand en den tegenovergestelde buitenwand en in golven is gebogen, zoo hoog, dat de bovenkanten der golven juist passen onder den omgebogen rand van den scheidingswand en de bijen op den rand wandelende, ook op den rug van de golven kunnen komen.
Nu een glazen ruit, zoo groot als de geheele bak, voor afdekking; een passend latje in de sleuf tusschen de scheidingswanden; het lakentje op de raampjes iets buiten het midden over de geheele breedte doorgeknipt, de grootste helft 3 à 4 cm. omgeslagen; de bak op de honigkamer geplaatst en de gewone afdekking die anders onmiddellijk op het lakentje ligt, op de ruit van den bak gelegd en de zaak is gereed om gebruikt te worden, als men daartoe gelegenheid heeft.
Wenscht men tot voedering over te gaan, dan is alleen de dekruit iets te verschuiven en de suikerstroop b.v. aan één kant in den bak te gieten tot nagenoeg aan den bovenkant van de gaasgolven. Men trekt dan het latje uit de sleuf van de scheidingswandjes weg, schuift de ruit op haar plaats en het is een verrukkelijk gezicht de bijtjes over de geheele linie uit de sleuf te zien verschijnen, na eenige verkenning, hen over het gaas te zien bewegen en dan zich meester te zien maken van het toegediende voedsel.
Hoewel de bak plm. 5 kilo suikerstroop kan bevatten, is gebleken dat die hoeveelheid in één nacht was opgebruikt en des morgens opnieuw de bak gevuld, reeds twee uren daarna weer was opgeborgen.
Op deze wijze is het mogelijk gebleken in één dag en nacht een kast geheel van de benoodigde hoeveelheid te voorzien; storing van het nest of openmaken van de broedkamer, zooals voor de overigens veel goeds bevattende methode van Dr. Ootmar noodig is, komt hier niet voor en de gelegenheid om zonder stoornis de bijtjes zoo in volle actie te kunnen waarnemen, is een van de vele genietingen die het bijenleven den liefhebber biedt.
De bijbehoorende plaatjes geven overigens te zien, wat deze korte beschrijving niet voldoende mocht vermelden.
Mej. Fr. MULDER, Leiden, October 1913.