Ventilatie.

Klinkt u dit opschrift wellicht te geleerd, waarde lezer(es), dan lees in de plaats luchtverversching. Dit woord spreekt duidelijk genoeg. We verstaan er onder: de uitwisseling van bedorven lucht in onze woningen en stallen tegen versche buitenlucht.
Overal waar levende wezens huizen in 'n beperkte ruimte, wordt een deel der aanwezige lucht, en wel de zuurstof — wie hoorde daar nog nooit van? — verbruikt, of juister gezegd diende voor de verbranding in het lichaam van mensch of dier.

Tengevolge van die verbranding ontstaat warmte, die het lichaam op temperatuur houdt; dat is het nuttig gevolg van dat proces. Maar er ontwikkelt zich meteen een schadelijk product, dat geregeld uit het lichaam verwijderd moet worden door de uitademing. Stel nu, dat er in een gesloten ruimte een opeenhooping plaats had van dat schadelijke gas, het koolzuurgas, dan zou het leven van mensch en dier bemoeilijkt, zelfs in gevaar gebracht kunnen worden door;
1. gebrek aan zuurstof, die alleen de verbranding onderhoudt;
2. overdaad aan koolzuurgas, dat de verbranding ('t levenslampje) juist niet onderhoudt, maar doet stikken.
Daarom nu moet er op zijn tijd gezorgd worden voor toevoer van versche- en afvoer van bedorven lucht. De noodzakelijkheid daartoe is des te dringender, naarmate de temperatuur buiten de woning hooger is; dat is dus 's zomers. De drang tot uitwisseling tusschen twee gassen toch is sterker, naarmate hun temperaturen verder uiteen liggen. Zonder sterk luchten van onze kamers, hebben we er 's winters al gauw genoeg 'n frissche omgeving.

De verklaring? Buiten en binnen de kamers is er sterk verschil in temperatuur, dus groote drang tot uitwisseling, die door reten, kieren, poriën in muren en hout haar gang gaat. Maar 's zomers, als temperatuur buiten en binnen vaak gelijk staan, dan moeten wij de luchtverversching bevorderen door ruim te luchten. "Wat heeft dat nou met bijenteelt uit te staan?" denkt ge. Lees verder a.u.b.

Onze bijtjes doen ook aan stofwisseling. Ze ademen ook geregeld zuurstof in, geven koolzuurgas en waterdamp in de plaats weerom; dat gaat natuurlijk niet zoo sterk als bij onze grootere dieren, maar daar staat tegenover, dat ze met een ongewoon groot aantal in een betrekkelijk kleine ruimte opgehoopt zitten.
Koolzuurgas en waterdamp moeten afgevoerd worden en plaats maken voor frissche lucht. 's Winters nu is er 'n groot verschil tusschen de temperatuur buiten en die binnen de bijenwoning en heeft er dus allicht voldoende ventilatie plaats door het vlieggat heen. Is de ventilatie langs dien weg onvoldoende, dan treedt al spoedig schimmel in de woning op, tengevolge van de overmaat aan waterdamp (vocht).

's Zomers echter liggen de warmtegraden buiten en binnen de bijenwoning lang niet zoover uiteen; gevolg: minder drang tot uitwisseling. De imker kan hier zelf al veel helpen, door de bijenwoningen in de schaduw te plaatsen, hetzij door boomen aan te planten vóór de hal (opgaande hazelaar!), hetzij door 's zomers zonneschermen aan te brengen (goedkoop zaklinnen); anders kan de warmte in de woning, zelfs voor de bijen, ondragelijk worden.

't Is juist niet de warmte alleen, die het verblijf 's zomers in 'n bijenwoning zóó onbehaaglijk maakt, dat de beestjes om het vlieggat heen, buiten de woning komen zitten; "baard vormen" of "voorhangen" zegt de vakterm, nietwaar?

Wordt vervolgd.

C.