Op bezoek bij ijmkers.

Na van Haaksbergen uit een vergeefschen tocht gemaakt te hebben, kwam ik te Dinxperlo om den heer Beil te bezoeken.
Ik was zeer verlangend weer eens in Dinxperlo te wezen, waarvan ik aangename herinneringen had van een twaalftal jaren, toen ik aldaar een cursus meemaakte in bijenteelt met een twaalftal collega's.

Hoe jammer, dat dergelijke cursussen niet werden gesteund, zoodat ze niet konden worden voortgezet. Was op deze wijze een tiental jaren doorgewerkt, dan zou er thans een staf van wetenschappelijk onderlegde ijmkers zijn. Het is noodig dat thans in dezen geest gewerkt wordt. De heer Beil wist ons toen aangenaam en leerzaam bezig te houden. Wij leerden niet alleen theorie maar ook practijk. De heer Beil vatte zijn taak breed op, door er voor te zorgen dat ook les gegeven werd van andere zijde. De heer Pannekoek en een Duitsch leeraar in Bijenteelt kwamen expres over om ons theoretisch en practisch in de bijenteelt in te leiden.

De heer Beil ontving mij met zijn gewone vriendelijkheid en was dadelijk bereid mij ter wille te zijn, ofschoon hij het zeer druk had. Overigens trof ik het niet, want juist waren de volken naar de heide gebracht, zoodat nog maar enkele volkjes aanwezig waren. Ik kon dus slechts een kijkje nemen in het magazijn, waar van allerlei aanwezig was.

In 't bijzonder bespraken we den Gravenhorster boogkorf, met vlieggat op den smallen kant, waardoor deze op den stand minder ruimte inneemt, de gewijzigde Kanitzkorf, herdoopt als magazijnkorf en Beil's reiskast. Ik kan ieder raden, zoo hij daartoe in de gelegenheid is, des heeren Beil’s Bijenstand te bezoeken. Zoowel om de persoon als om den stand kan ik daartoe aanraden.
De heer Beil heeft reeds lang gezocht naar de oplossing om een goede woning voor de bijen te construeeren. De richting, waarin de heer Beil deze oplossing zoekt, is niet de mijne. Mij dunkt dat de heer Beil te veel vasthoudt aan het Duitsche systeem; dat zijn hoogtepunt heeft in 't paviljoenstelsel.
Ik geef hier een afbeelding van Beils reiskast.



Beils reiskast.

De cliché geeft een voorstelling van het uiterlijk der kast met draaideur en draadgaas - of reisraam - erin, door een afneembaar paneeltje bedekt. Bij het reizen behoeft men slechts het vlieggat te sluiten, de stroomat achter te verwijderen en het paneeltje af te nemen. De ramen, 41 bij 26 c.M., in de broed- en honigkamer zichtbaar; op den bodem staat een uitgebouwde raat. De stand rechts doet het reisraam in de deur buiten uitkomen.

Ik wil gaarne erkennen dat deze kast zeer veel goede hoedanigheden in zich vereenigt. Het hoofdidee er in uitgewerkt, is de omhangmethode. Daarom zijn de broed- en honigruimte even groot.

In elke ruimte gaan 7 liggende raampjes, uitwendig 41 cm. bij 26 cm. Zoodra de broedruimte in hoofdzaak raampjes vol in broed bevat, gaan deze in de honigruimte behalve het raampje met broed, waarop de koningin voorkomt, beneden worden daarnaast raampjes met uitgebouwde raat of kunstraat gehangen, die nu worden uitgebouwd, terwijl van bovenaf steeds nieuwe bijen worden aangevoerd voor de dracht. Zoo ontstaat een krachtig volk, dat de raampjes boven, als er dracht is, met honig vult, die daarna kan worden uitgeslingerd

Ramen voor Beil's Reiskast.
A — Broedraam, ook passend voor de honingkamer.
B — Honigramen, groot 20½ X 26 (buitenwerks), voorzien van dikke bovenlat.
C — Honingramen, groot 41 X 13 cm. (buitenwerks).
De ramen B en B worden evenals C en C met Gunthersche krammen aan elkander verbonden.


Deze methode moet geschikt weer mee hebben, zal ze gelukken. Bij slecht weer worden de raampjes beneden niet uitgebouwd, of blijft de koningin werkeloos, omdat de bijen enkel boven blijven. Honig- en broedruimte zijn door een koninginnenrooster gescheiden, die door een schuif kan worden afgesloten.

Een andere methode is, dat men een zwerm laat uitkomen. Deze zwerm komt als zelfstandig volk in de bovenste ruimte, daar wordt de eierlage voortgezet. Beneden zorgt men ervoor dat geen tweede zwerm uitvliegt. Zoodra de koningin beneden bevrucht is en in de eierlage is, wordt boven de koningin gedood. Na eerst de boven- en onderafdeeling aan elkander luchtgemeenschap te hebben gegeven, worden de twee volken nog slechts gescheiden door een koninginnerooster. Ze vereenigen zich nu en men heeft één sterk volk met jonge koningin, terwijl de natuurlijke weg is gevolgd.

De kast is dunwandig, zeker om deze goedkoop te doen zijn, maar dit kan ook hierom, omdat de kasten naast elkander worden geschoven, zonder eenige ruimte over te laten, dus elkander verwarmend. De voorzijde, dus de vliegzijde, is dubbelwandig.
De kast wordt van achteren behandeld. Doet men het deurtje open, dan stuit men op een stroowand, daarna op een tralievenster, waardoor men in de kast kan zien, zonder last van de bijen te hebben. Wil men de bijen verder onderzoeken, dan kan dit, doordat de raampjes als een boek kunnen opengelegd worden, als bij de Alberti kast. Het voornaamste doel der kast is slingerhonig te winnen.

Nu had ik van deze kast, tot nog toe, niet veel goeds gehoord, omdat, hoe ingenieus ook alles erbij is ingedacht, de behandeling te wenschen zou overlaten. Zelf heb ik van deze kast geen ondervinding en kan daarover dus niet voldoende oordeelen.
Ofschoon ik mij nu Beil’s reiskast heb aangeschaft, om er persoonlijke ondervinding mee op te doen, zal mij de behandeling van achter toch nooit bekoren, niets gaat volgens mijn mening boven de behandeling van boven.

Het systeem van Beil’s reiskast heeft echter deze bepaalde voordeelen, dat op de aangegeven manieren er gemakkelijk sterke volken in gekweekt kunnen worden, doordat broed- en honigruimte even groot zijn. Dit moet ook kunnen bij de systemen van boven behandelbaar, maar voor het winnen van raathonig is het tevens noodzakelijk dat raampjes van de halve hoogte kunnen worden aangebracht, wat bij deze kast ook kan, als blijkt uit de afbeeldingen.

Ik gaf den heer Beil mijn meening te kennen, dat ik de voorkeur geef aan kasten die van bovenaf worden behandeld en het Engelsche standaard-raampje als zeer goed roemde. Hij billijkte mijn meening; maar stelde daar tegenover, dat zijn denkbeelden dienaangaande anders waren; bij een ijmker als de heer Beil moet daarmede rekening worden gehouden. Ook stelde hij mij voor eenige standen te gaan bezoeken, waar deze kasten in gebruik zijn.
Ik heb dit gedaan. Allereerst onder leiding van den heer Beil zelf, die mij bracht bij een keurig onderhouden bijenstand in de buurt van Dinxperlo, onmiddellijk aan de Duitsche grens. Hier waren enkel Beil’s reiskasten in gebruik. De ijmker zelf was afwezig, maar ik kon wel zien dat ze in goede handen waren. ‘t Was juist in de periode van slechte dracht, maar toch hadden de bijen zich daar niet onbetuigd gelaten.

Vooraf hadden we nog een ouderwetschen stand bezocht en woonde ik een staaltje bij van de gehechtheid van den bijenvader aan zijn bijen.
De oude ijmker, die zich moeilijk meer kon verplaatsen, zat voor en tusschen zijn bijen geduldig uitziende naar wat hij reeds zoovele malen had gezien en toch nooit moede was geworden. De oude man gebruikte zijn maaltijd, terwijl hij zijn bijen niet uit het oog verloor. Bijna suf van ouderdom was hij vol bespraaktheid om over zijn bijen te spreken, toen wij hem, als mede ijmkers en oude bekenden de hand hadden gedrukt.

Toen ik de gastvrije woning van den heer Beil 's avonds verliet, beloofde ik hem in Arnhems omgeving nog een paar standen te bezoeken voorzien van Beil’s reiskasten.
Ik heb dit gedaan, bij den heer Thijssen, die een aardige bijenstand bezit. Vader en zoon, ijmkers in merg en been, die, naar ze mij verzekerden, met goeden uitslag met deze kast ijmkerden.

Tenslotte zag ik nog de bijen van de heer Henri Meijer, die eveneens deze woning gebruikt. De heer Meijer liet mij eenige zijner koninginnen zien, o.a. een echte vanuit Amerika geïmporteerde dubbel gouden koningin. Een mooie koningin, met breede gouden strepen over het achterlijf. Doordat de heer M. deze en andere koninginnen van vreemd ras gevoegd had bij bestaande volken, had hij geconstateerd, dat in het volle seizoen het lang geen veertien dagen duurt, alvorens, nadat de bijen uit de cel zijn geloopen, als vliegbijen optreden. Zijn vliegbijen vond hij veel eerder, dan vijf weken, nadat de ingevoerde koningin was begonnen eitjes te leggen, op verwijderden afstand der woning.
Het zal met deze veertien dagen: een week voedster en daarna een week om voor te spelen, ook wel gaan als met zoovele zaken, dat de een den ander naspreekt.
Het is mij ook steeds opgevallen hoe in het volle seizoen de volken in korten tijd zoozeer kunnen toenemen in het uitzenden van vliegbijen, dat gaat dan eenigszins plotseling. Dit zou zijn op te lossen, door de hier vermelde waarneming, dat in den zomer de bijen niet langer dan een week, nadat ze uit de cel kwamen reeds tot vliegbij werden te controleeren. Vooral kan men dit opmerken bij nazwermen. Laat men hierop dezen zomer eens acht geven.

H. Stienstra.