Beknopte anatomie van de bij in beeld met verklaring.
1. Ontwikkelingsstadiën der bij.

Ei staat eerste dag rechtop, helt tweede dag, ligt derde dag. Eitjes regelmatig en aaneengesloten in de cellen, bewijst de aanwezigheid eener goede koningin. Werkbij-larve van drie dagen kan nog koningin worden.

2. Monddeelen der werkbij.
B.l. Bovenlip, B.k. Bovenkaak, O.k. Onderkaak, T.Taster, K. Kin, B.t. Bijtong, L.t. Liptaster, T Tong, L. lepeltje.
De bovenkaken zijn geschikt om te bijten. Ze bestaan uit gladde chitine plaatjes. Dit orgaan werkt slechts als onderkaak en onderlip volledig opgetrokken zijn. Onderkaak, liptasters en tong vormen samen het slurfachtig orgaan. De tong steekt voor 1/3 daar uit. Zuigt de bij nektar, dan steekt ze haar tong daarin. De tong heeft over de lengte een gootje, dat in gemeenschap staat met een buis. De nektar stijgt hierin omhoog. De behaarde tong neemt verder nog nektar mede. De bij trekt nu de tong omhoog en de nektar stijgt in de buis, die de samengevouwen deelen vormen, omhoog.
3. Doorsnede der slurf.
O.k. Onderkaak, T.Tong, G. Gootvormig deel, B. Buis, L.t. Liptaster. Men ziet duidelijk het gootje. Er zijn twee buizen, één midden in den tong en de buis rondom den tong, in beide stijgt de nektar omhoog.
4. Angel of steekapparaat.
G.k. giftklier, G b. Giftblaas, S k. Smeerklier, G.Goot, S. Stekels, B. Boogvormig deel van den stekel, Sch. Scheede, K.p. en L.p. Kwadraatvormige en lange plaat, w.h. weerhaken.
De angel bestaat uit een gootvormig deel; over de twee randen der goot loopt een stekel, dus twee stekels, die aan het uiteinde weerhaken hebben. Een stekel loopt van w. tot w. h. De angel is tusschen de scheden ingesloten. De spieren die de stekels in beweging brengen steunen op de kwadraat vormige en lange platen.
Steekt de bij, dan veroorzaken de stekels een wonde, tegelijk loopt langs de goot het gif. Het gif komt deels uit de giftblaas, in hoofdzaak mierenzuur, anderdeels uit wat men vroeger meende een smeerklier te zijn, maar in werkelijkheid een alcalische vloeistof bevat, die in samenstelling met het gif van adders overeenstemt.
5. Voorpoot der bij.
h. Heup, dr. Dijring, d. Dij, s. Scheen, S.r. Sprietenreiniger, H.Hiel, 1-4 Voetleden, 5 Klauwtje. De vele geledingen maken een sterke buiging mogelijk.
6. S.r. Sprietenreiniger.
S. Spoor. Deze inrichting dient om de sprieten te reinigen. De spriet komt in het boogvormig deel, de spoor wordt aangedrukt en het voorheen teruggetrokken.
7. Achterpoot der werkbij.
a. Buitenzijde, b. Binnenzijde, a. om het korfje K. te laten zien, waarin het stuifmeel wordt meegedragen en B. om de borstels te doen uitkomen, die op het eerste voetlid van de hiel voorkomen, duidelijk onderscheidt men de haarrijen.
8. Schematische voorstelling der spijsverteringsorganen.
Sp. Speekselklieren, S. Slokdarm, H. Honigmaag, Mm. Maagmond, Ch. Chylusmaag of eigenlijke maag. M. Malpigische vaten, de nieren der bij, waarin dus de urine uit het bloed wordt afgezonderd, D. dunne darm, Dd. Dikke darm.
9. Hier heeft men dezelfde letterteekens als in fig. 8.
Deze fig. dient om te doen zien, hoe de honigmaag buiten de vertering kan worden gesteld, daar de vier spleetige maagmond nu direct aan den slokdarm aansluit. De honigmaag kan door dezelfde maagmond ook geheel afgesloten worden van de Chylusmaag, dit gebeurt als de bij nektar of water ophaalt. De honingmaag moet 64.000 maal worden gevuld voor één kg. nektar.
10. De geslachtsorganen in het achterlijf der koningin.
E. één der eier-stokken, E.l, Eileider, Z.b. Zaadblaasje, waarin zich na de bevruchting door een dar, het mannelijke sperma bevindt. S. Scheede. Even hiervoor geschiedt de bevruchting van 't eitje door het mannelijke zaad. Uit bevruchte eitjes ontstaat een werkbij of koningin. Blijft de bevruchting achterwege, dan ontstaat uit 't eitje een dar. St. Steekapparaat.