INGEZONDEN.
Haaksbergen, Juni 1914.
Geachte Redactie!
Wanneer het niet te veel gevergd is, zoude ik onderstaande gaarne in het Maandschrift geplaatst zien.
Mijn stand mag zich in een groote belangstelling verheugen, hetwelk er na uwe welwillende critiek niet minder op geworden is.
Even als voorheen staat deze ook dit jaar weer voor ieder belangstellende beschikbaar. Daar ik echter met mijne dagelijksche bezigheden erg bezet ben, kan ik moeilijk anders dan Zaterdagsmorgens tot één uur, en des Zondags na drie uur, bezoeken ontvangen.
In dezen tijd sta ik gaarne een ieder met raad en daad ter zijde.
Met dank voor de plaatsing.
Hoogachtend, S. FRANKENHUIS.
-------
Geachte Redactie!
Vergun me, naar aanleiding van het ingezonden stuk van den heer van Giersbergen, s.v.p. nog eenige ruimte in uw blad.
Mijnheer van Giersbergen komt in genoemd schrijven tot de conclusie dat de Dalfser afd. van meening is, dat alleen over haar rapport is uitgebracht, en gebruikt de uitdrukkingen "Dalfsche logica" en "verwaand".
Neen, mijnheer van Giersbergen, zoo verwaand zijn we niet. Maar als U beweert, dat de toestand der volken niet zoo ongunstig is, als door "enkelen" wordt beweerd (zie Maandschrift Februari), dan ligt daarin opgesloten, dat "enkelen" (dus de Afd. Dalfsen en nog 4 of 5 andere) hebben beweerd, dat de toestand ongunstig is, en U zegt, dat dit niet zoo is.
En nu heb ik niet de gevolgtrekking gemaakt dat wij onwaarheid zouden spreken, maar ik heb gevraagd: bedoelt u, dat deze afdeelingen dan onwaarheid hebben gezegd?
Deze vraag, mijnheer van Giersbergen, had ik liever met "ja" of "neen", dan met "Dalfsche logica" beantwoord gehad.
Verder zegt U, mijnheer van Giersbergen, dat U hebt gerapporteerd dat voldoende suiker is aangeboden, niet verstrekt. Neen, mijnheer, in het Februarinummer staat: . . . . . uit wiens rapport blijkt, dat voldoende suiker is verstrekt.
Van "aangeboden" wordt daar niets genoemd.
Zeker, er is wel meer door het H.B. verkrijgbaar gesteld, maar dat door onze ijmkers voor elken opzetter niet het maximum is gekocht, heeft andere oorzaken, mijnheer, dan de onwetendheid met hoeveel een bijenvolk den winter ingestuurd moet worden, zooals U veronderstelt.
Als U bij uw lezingen, hier door U gehouden, niet alleen binnen de vier muren van het café Siero had gestaan, maar ook eens enkele bijenstallen had bezichtigd, mijnheer, en dus de ijmkers in hun eigen omgeving had gezien, dan zou U hebben kunnen constateeren, dat velen een voornaam middel van bestaan in de bijen vinden; dat een slecht jaar voor de bijen tevens een slecht jaar is voor de ijmkers en hun gezinnen, en dat het daarom in zulke ongunstige jaren vele bijenhouders niet past, zulke groote geldelijke offers voor hun volken te brengen. Dan had U begrepen, mijnheer, dat velen liever twee maal suiker zouden ontvangen, dan in één keer zoo'n betrekkelijk groot bedrag te storten. en dan had U waarschijnlijk niet geschreven: ze vragen suiker, omdat ze te weinig besteld hebben.
Dan geloof ik, mijnheer van Giersbergen, dat uw berekening, 2400 kilo suiker voor 800 opzetters, ook eigenaardige (misschien ook wel Dalfsche) logica is.
Er zijn hier bijenhouders, die nooit suiker voeren. Dus de 850 korven van ons jaarverslag worden lang niet alle met die 2400 kg. suiker gevoerd. Als U de suikerlijst raadpleegt, mijnheer, waarop deze 2400 kg. voorkomt, dan zal U daar vinden dat achter het aantal K.G. suiker het aantal volken opgegeven is. En dan vindt U, volgens Dalfser berekening, dat 2400 kilo suiker is verstrekt voor 507 opzetters, dus ongeveer 500, wat dus 4,7 kilo per opzetter is en geen 3.
Dus uw verdere berekening, mijnheer van Giersbergen, is ook niet juist. We hadden in twee termijnen gem. 4,7 en 2,5 is 7,2 kg. kunnen bekomen, wat bijna het maximum is.
Tot slot, mijnheer van Giersbergen, kan ik U aangaande de door U gekoesterde hoop omtrent de consequentie van de Dalfser afdeeling, de geruststellende verklaring geven, dat wij aan den oproep Lonneker-Enschedé gehoor hebben gegeven.
We hebben ons dus twee maal tot het H B. gewend om suiker en aangezien het H.B. suiker verstrekt en niet de Algemeene Vergadering, meenden we deze zaak te Utrecht in de April vergadering niet nader te behoeven aanroeren, mijnheer.
Met dank voor de plaatsing, M. de R., teeken ik hoogachtend,
Uw dw. dr.
VAN ANKUM, Ancum bij Dalfsen.