Beknopte bijenteelt in beeld met verklaring.

1. Werkbijcellen op natuurlijke grootte. Iedere cel heeft een doorsnede van een regelmatigen zeshoek. Op één vierk. dm. gaan aan beide zijden samen ongeveer 850 werkbijcellen. De cellen worden opgebouwd uit was, dat de bij aan de buikzijde van het achterlijf uitzweet. Was is dus geen product afkomstig van stuifmeel, maar ontstaat uit door de bij opgenomen voedsel. Men meent, dat in het bijenlichaam omstreeks 10 pond honig moet worden verwerkt om één pond was te vormen, bovendien is het waszweeten voor de bijen een afmattenden arbeid. Daarom laat men niet te veel was vormen; maar geeft kunstraat. Toch staat men thans op 't standpunt, dat de bijen zelf ook was moeten vormen.
In deze cellen worden de werkbijen van ei tot volkomen insect opgevoed. Ofschoon het insect als pop (nymphe) hierin vervelt, en de huidjes achterblijven, waardoor de celruimte langzamerhand kleiner wordt, is het een fabeltje, dat daardoor de bij kleiner wordt. In oude raat worden de bijen even groot als in jonge.
2. Stelt darrenraat voor. Deze cellen zijn wijder. Er gaan ongeveer 510 dezer cellen per vierk. dm. raat genomen aan beide zijden. Tusschen deze en werkbijcellen bevinden zich overgangscellen.
3. Laat zien hoe een broedraat er uit ziet in de lengtedoorsnede. Men kan opmerken hoe één celbodem voor drie cellen dienst doet. De celbodem loopt in een punt uit en wordt gevormd door drie gelijke en gelijkvormige ruitvormige vlakken
Twee cellen vormen met den tusschenwand één raatdikte, welke plm. 2,5 cm. is. De ruimte tusschen de broedraten bedraagt plm. 1 cm. Deze tusschenruimten noemt men wel straten
Een broedraat is een raat, waarin broed aanwezig is. Het broed bestaat uit eitjes, larven, nymphen of poppen en eindigt met volkomen insect. Het broed is open of gesloten. Gesloten wil zeggen bedekt met een waszegeltje. Het volkomen insect knaagt dit langs den rand los. Het zegeltje valt naar beneden; men ziet ze op den bodemplank en kan daaruit opmaken of er reeds uitgeloopen darren aanwezig zijn.
4. Is een oude broedraat in de lengte-doorsnede. De achtergebleven nymphehuidjes maken den wand dikker en vezelig. Slechts met moeite kan men zulke raat met het mes doorsnijden. Zulke raat is geschikt om slingerhonig te kweeken. Tijdens de bewerking wordt zulke raat niet stukgedraaid. Vooral wanneer heidehonig geslingerd zal worden is dit van belang.
5. Laat gedekseld of gesloten broed zien met eenige koninginnecellen of moerdoppen. De loodrecht gearceerde cellen aan den bovenkant zijn honigcellen. Deze cellen zijn gelijk aan werkbijcellen. Wel hellen ze vaak meer van buiten tot den middenwand, dan werkbijcellen, om te beletten, dat de nog dunne honig uitvloeit. Zulke honigcellen van dit jaar, worden, doordat ze wat langer zijn gemaakt, vaak het volgende jaar benut om er darrenbroed in te telen. Hiertegen is weinig te doen.
A. zijn gesloten werkbijcellen.
B. gesloten darrencellen.
C. is een moerdop, d.w.z. het begin van een koninginnecel.
D. is een gesloten koninginnecel.
Een koninginnecel wordt bij voorkeur aan den zijkant der broedraten gebouwd. Is ze midden in de broedraat, dan heet ze hulpcel. Hulpcellen ontstaan, als een koninginnecel uit nood wordt aangelegd, b.v. wanneer de koningin op de een of andere manier plotseling verdwijnt.
E. is een koninginnecel die doorgebeten is, met de bedoeling de erin aanwezige moer te dooden.
F. is een open cel, waaruit de koningin is uitgeloopen.
Daartoe knaagt de koningin het dekseltje los op een klein stukje na, dat als scharnier dient. Zoodra ze meent, dat het voor haar de geschikste tijd is, komt ze te voorschijn. De geschikte tijd kent ze door een grooter rumoer in het volk dan gewoonlijk, dus tijdens het zwermen. Bij nazwermen zijn steeds meerdere koninginnen gereed om uit te loopen, vandaar dat deze zwermen vergezelt zijn van meerdere koninginnen, waarvan slechts eene wordt aangenomen.
6. Is het schema van een broedraat. De voorstelling is dus theoretisch, practisch wijkt het hiervan meer of minder af, dit hangt van omstandigheden af. In hoofdzaak komt de voorstelling overeen met de werkelijkheid. Van boven naar beneden, door verschillende arceeringen aangegeven heeft men achtereenvolgens, verzegelden honig, open honig, stuifmeel (in de cellen door brood aangeduid), cellen met eitjes, dan open broed en eindelijk gesloten broed. Denkt men zich deze raat nu naar beneden verlengd, dan verkrijgt het broednest een ovalen of langronden vorm en deze vorm wordt behalve beneden omgeven door een stuifmeelgordel en is daarna door honigcellen omringd.
H. Stienstra.