INGEZONDEN.

Geachte heer Redacteur !

Bijenman schrijft in zijn artikel in uw vorig nummer o. m. over voerhonig, en dat dit ook een mooi werk voor de Handelskamer is. Ik behoef U zeker niet te zeggen, dat ik het daarmede volkomen eens ben. Ik zou echter liever nog verder willen gaan, en Bijenman verzoeken, indien Z. Ed. hier of daar iets bemerkt, iets tegenkomt of iets wenschelijk voorkomt, om er mij dan opmerkzaam op te maken. De Handelskamer heeft steun noodig van alle leden en neemt gaarne adviezen aan. Of alle adviezen dadelijk zullen kunnen worden uitgevoerd, is echter eene groote vraag, maar het streven is reeds schoon, en daarom, laat ieder medewerken.

Mochten er afdeelingen zijn die mij wenschen te spreken over het een of ander, dan verneem ik dit ook gaarne. Om alle afdeelingen te gaan bezoeken is niet doenlijk, maar daar ik dikwijls op reis ben, is het vaak zoo in te richten, dat zonder al te groote moeilijkheden ik wel eens eene conferentie met afdeelingsbesturen kan hebben. Men komt met spreken veel verder dan met schrijven, en eene kennismaking is toch ook wel gewenscht. Reeds in verschillende afdeelingen heb ik dit bemerkt, en het oude spreekwoord is nog altijd van kracht.
"Onbekend maakt onbemind".

U beleefd dankend voor de verleende plaatsruimte.
Hoogachtend,
RICHARDS, Directeur van de Handelskamer

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~


Den WelEd. heer H. Stienstra,
Redacteur v/h. Maandschrift voor Bijenteelt, Frederiksoord.


Weledele heer !
Toevalligerwijze werd onze aandacht getrokken door een door U op bladz. 162 van de 7e Afl. van het Maandschrift voor Bijenteelt opgenomen bericht betreffende eene Hollandsche zending bijen, welke met een van onze stoomschepen werd vervoerd van Amsterdam naar Londen, Fresh Wharf.

Wij willen niet nalaten U naar aanleiding van dit bericht mede te deelen, dat blijkbaar de inlichtingen van Uwen berichtgever te eenen male onjuist zijn. De zending bijen, waar dit bericht betrekking op heeft, werd met groote zorg behandeld zoowel bij de verscheping hier als bij de ontscheping in Londen; van een paniek onder de dokarbeiders was niet de minste sprake, terwijl het aantal ontsnappende bijen niet noemenswaardig was; men had ze zelfs kunnen tellen.
Van de gebeurtenis werd een film voor een bioscoop gemaakt en wij kunnen niet beter doen dan Uwen berichtgever aanraden deze eens te gaan zien.

U zoudt ons zeer verplichten in het belang van de bijenteelt en van den export van bijen naar andere landen, welke zonder twijfel deel uitmaken van het programma der Vereeniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland, indien U van deze mededeelingen in Uwe volgende aflevering melding zoudt willen maken.

Hoogachtend,
Hollandsche Stoomboot-Maatschappij.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~


De heer Hans Matthes zond een gelijk schrijven, waaruit hetzelfde blijkt, n.l. dat de bijen ter bestemder plaatse in Engeland zonder eenige overlast te veroorzaken, zijn aangekomen. In 't ruim van 't schip waar de bijen waren geladen, vlogen geen 20 bijen. Gaarne gelooven wij deze heeren, en nemen aan, dat het schrijven, in Bienenvater en L'Apiculteur, waarin we hetzelfde vonden, zeer overdreven is voorgesteld.
We kunnen ons dat wel voorstellen, als we eraan denken, hoe één enkele bij reeds vaak schrik aanjaagt bij overigens zeer dappere(?) menschen.
Bij goede inpakking komen de bijen goed in Engeland. We hebben dit van eigen ondervinding.
De heer Matthes is dit werk zeker wel aanvertrouwd en het is dan ook wel zeker, dat de voorstelling in Bienenvater onjuist is.
Het zal mij een groot genoegen doen, als de heer Matthes alsnog van zijn bijenzending naar Engeland een verslag in het Maandschrift zou willen plaatsen, dit moet bepaald wel interessant zijn. Het ware wellicht beter geweest, als de heer Matthes dit eerder verzocht was; overigens zij het hier nogmaals vermeld, dat het Maandschrift steeds gaarne plaats geeft om melding te maken van alles wat in betrekking staat met de bijenteelt.
Het Maandschrift beschikt niet over hulpbronnen als andere bladen, daarom heeft het medewerking van alle leden noodig, terwijl juist 't omgekeerde vaak plaats heeft en men in andere bladen wel berichten zendt, die in 't Maandschrift thuis hoorden, maar dat overslaat. S.