Opmerkingen bij het artikel accijnsvrije suiker.


1. Dat men met suikervoedering voorzichtig moet zijn is niet ten onrechte meermalen in het maandschrift beweerd.

Dezer dagen vertelde mij nog een groot ijmker, dat voor eenige jaren hem een vijfentwintigtal volken waardeloos werden, door het voeren met de z.g. suikerbrooden, als wintervoedsel. Dat is geblauwde kristalsuiker. Men moet hebben ongeblauwde suiker. Het z.g. blauwen heeft ten doel de suiker zuiverder wit van kleur te maken, dit gebeurt echter met stoffen, die niet zonder nadeel in 't bijenlichaam 's winters worden opgehoopt, vooral daar dan de uitscheiding der uitwerpselen langdurig kan worden opgehouden, waardoor de spijsvertering overstuur raakt, waarvan het gevolg roer is, d.w.z. dat de uitwerpselen in de woning zelve in dunnen toestand worden verwijderd, wat natuurlijk het heele volk ziek moet maken.

Met ongeblauwde suiker, doet zich dat niet voor. Zelfs hebben de opeenvolgende jaren, dat we vóór den winter suiker voeren, bewezen, dat dit het ontstaan van roerziekte voorkomt. In de laatste jaren hoorde men dan ook niet meer van roer spreken. Dit wordt hier echter niet bedoeld, omdat de schrijver uitgaat van de onderstelling, dat de suiker geen voor de bijen schadelijke bestanddeelen bevat.
Wat bedoelt het Maandschrift dan nog verder, als het beweert, dat men met suikervoedering voorzichtig moet zijn?

Deze voorzichtigheid moet vooral in 't voorjaar worden betracht. Beweerd wordt toch, dat als gedurende een tijd, dat weinig stuifmeel wordt opgehaald, voortdurend gevoerd wordt met dunne suikeroplossing, dat dan een natuurlijke warmte in het volk ontstaat, tengevolge waarvan de koningin rijkelijk doorgaat met het leggen van eitjes.
De larven hieruit moeten worden gevoerd met eiwitrijk voedsel, dat alleen slechts kan afstammen van stuifmeel, dat door speekselklieren. van de bijen tot het z.g. brood is geworden. Is er nu geen brood voorhanden en wordt er geen stuifmeel afgehaald, dan laat de eiwitvoeding der aanstaande bijen te wenschen over, dit geeft verzwakking van het broed. Een verzwakt broed is spoedig door ziekte aangetast. Meerdere deskundigen schrijven hieraan het ontstaan der broedpest toe. Een ziekte, die eenmaal aanwezig, slechts te bestrijden is door algeheele vernietiging der zieke bijen en der woningen, waarin deze verkeerden. Wie aarzelt deze krasse maatregel te nemen, komt van deze ziekte niet af.

Wanneer dus volgens deskundigen een eenzijdige suikervoedering aanleiding kan geven tot het ontstaan dezer in ons land nagenoeg nog onbekende ziekte, maar die in Duitschland en Amerika en in de meeste andere landen veel voorkomt, dan is het zeker wel noodig, dat erop aangedrongen wordt voorzichtig te zijn met suikervoedering.

Suikervoedering moet dan ook geen regel worden, het moet niet de hoofdzaak zijn, maar een bijzaak blijven. De suiker is ons dan ook verschaft als noodmiddel.
Dat suiker geen eigenlijk voedsel zou zijn, wordt niet beweerd, althans niet door de Red. Suiker is een goed voedsel voor de bij om warmte en arbeid voort te brengen; maar suiker kan niet dienen voor de vorming van nieuwe individuen, ze kan daarbij slechts eiwitsparend wezen.

2. Wat is honig?
Dr. Melzer te Meiningen zegt:
"Bienenhonig stellt den zuckerreichen Saft dar, welchen die Honigbienen aus den Nectariën vieler Blüten aufsaugen, in ihren Körper zunächst verarbeiten und in den Waben wieder von sich geben.”
Bijenhonig is het suikerrijke sap, dat de honigbij uit de nectariën (honigkliertjes) van vele bloemen zuigt, in haar lichaam allereerst verwerkt en in de raten weder van zich geeft.

In de Fransche vertaling uit 't Amerikaansch van 't A.B.C. de l'Apiculture staat.
Miel — Le nectar récolté sur les fleurs par les abeilles et amené à l’ état visqueux par évaporation dans l' intérieur de la ruche, apres qu' il a été disposé dans les cellules.
Honig — De nectar door de bijen van de bloemen opgehaald en in den toestand van kleverigheid gebracht door uitdamping in het inwendige der woning, nadat hij in de cellen is neergelegd.

Toch moeten we tweeërlei honig onderscheiden, de eigenlijke bloemenhonig en die welke van dennen en van honigdauw afkomstig is, in Duitschland wordt de laatste soort wel met Waldhonig aangeduid. De Waldhonig is dus niet afkomstig uit nectariën. Volgens de gegeven bepalingen zou het product hieruit afkomstig geen honig zijn; terwijl ieder dit product toch wel met den naam van honig zal willen bestempelen.
Deze twee honigsoorten loopen zeer opvallend in eigenschappen uiteen.
Het zou te ver voeren dit hier omstandig uiteen te zetten, zoodat men zich met het feit moet tevreden stellen.
In de Fransche bepaling van honig wordt niet gemeld, dat de nectar in het lichaam der bij een verandering ondergaat, waardoor het honig wordt. Waarin die verandering bestaat moge blijken uit de volgende opgave van de samenstelling van nectar en honig:
-Nectar 75 % water, 12,29 % druivensuiker, 12,02 % rietsuiker.
-Honig 20,6 % water, 34,48 % druivensuiker, 1,76 % rietsuiker, 38,65 % vruchtensuiker.
-Was en brood 0,71 % . . . , 0, 0186 % mierenzuur.

Hieruit blijkt wel dat nectar om honig te worden sterk verandert. De hoofdzaak is dat rietsuiker omgezet wordt in druiven- en vruchtensuiker en dat het watergehalte veel kleiner wordt. De omzetting heeft plaats in 't bijenlichaam, de watervermindering in de woning door verdamping, wat bevorderd wordt door het vleugelslaan der bijen, waardoor een luchtstroom wordt opgewekt. Nu is 't hoofdverschil, dat rietsuiker het polarisatie apparaat naar rechts draait, de druiven- en vruchtensuiker naar links. Dit is een onderscheidingsmiddel tusschen rietsuiker aan den eenen en vruchten- en druivensuiker aan den anderen kant.
Nu onderscheidt zich de Waldhonig van de bloemenhonig op gelijke wijze, de Waldhonig doet het polarisatie apparaat naar rechts draaien.
Wanneer rietsuiker verandert in druiven- en vruchtensuiker, wat vrij gemakkelijk kan worden bewerkt, zegt men dat ze is omgedraaid, geïnverteerd, want het product, dat het polarisatie apparaat eerst naar rechts deed draaien, doet dit nu naar links.
Het moet dus vrij gemakkelijk kunnen worden nagegaan in hoeverre de bijen tijdens de suikervoedering onze suiker, die rietsuiker is, al is ze van bieten afkomstig, in druiven -en vruchtensuiker omzetten. In hoeverre deze omzetting noodig is kan ook worden gevraagd.

Voor zoover mij bekend, is dit in ons land nog niet onderzocht, of althans niet gepubliceerd. Wat het andere betreft komt het mij voor, dat deze omzetting niet beslist noodig is, want soms worden in zeer korten tijd groote hoeveelheden suiker opgevoerd en dan lijkt het mij voor de bijen niet mogelijk om zooveel suiker in zoo korten tijd te inverteeren. Een en ander kan slechts met zekerheid worden aangetoond door een practisch onderzoek op de bij zelve.
Nu is bij de veevoeding bewezen dat slechts door voederproeven de juiste waarde der voederstoffen te bepalen is. Wil men dus bij de voedering der bijen niet in het donker tasten, dan moeten ook hier proeven op de bij zelve worden genomen, alsdan zou ook vast te stellen zijn, in hoe groote portie ineens met suiker het best wordt gevoerd. Tevens wat de beste verdunningsgraad met water is. Nu de suikervoedering zulk een belangrijk element is in de Nederlandsche bijenteelt, zullen deze vragen voor den Nederlandschen ijmker moeten worden opgelost.

3. Honig van knol en raap is voor de overwintering ongeschikt, omdat ze snel en sterk kristalliseert. Dit zal in den winter dorstnood veroorzaken. De bijen moeten nu op water uit, dit veroorzaakt onrust onder het volk en als gevolg hiervan kan de roerziekte ontstaan.
Ditzelfde verschijnsel zal zich dus voor kunnen doen in al die gevallen, wanneer de honig te sterk is gekristalliseerd, en dus ook bij suiker, wanneer die alleen door betrekkelijk veel water voor de bijen in oplossing is te brengen, tijdens dat uitvluchten zelden zijn.

Ook uit andere gronden kunnen sommige honigsoorten roer aanbrengen. Het meest als zoodanig bekend is bij ons de honig, afkomstig van hooge zandheide. Daarom is steeds aangeraden, als volken op dezen honig moeten overwinteren, per volk in September nog eenige kilo's kristalsuiker op te voeren. Bij honig, afkomstig van weideplanten of veenheide is dit niet noodig. Ook wordt aanbevolen, dat de suiker die gevoerd wordt, zooveel mogelijk is geïnverteerd, zelfs wordt beweerd, dat het voeren op éénmaal van meer dan 1 liter. per nacht moet worden afgekeurd, zie hierover ook 2.

4. Uit het voorgaande moeten we opmaken, dat als wintervoedsel de suiker zeer geschikt is. Voor voedering in het voorjaar is ze alleen maar geschikt indien de bijen over voldoenden pollenvoorraad beschikken of rijkelijk stuifmeel kunnen ophalen. In het voorjaar verdient dus het voeren met stamphonig, waarin veel brood voorhanden is verre de voorkeur boven suikervoedering. Wil men in het voorjaar niet voeren, maar in den herfst zooveel voedsel aanwezig doen zijn, dat de bijen in 't voorjaar niet gevoerd behoeven te worden, dan mag de geheele voorraad slechts voor een deel uit suiker bestaan. De suiker moet dan op de middelste raten zitten en de raampjes met honig en brood moeten aan den buitenkant zijn, zoodat de bijen in 't voorjaar daaraan toe zijn gekomen.
Kunnen de bijen door plaatselijke omstandigheden in 't voorjaar veel stuifmeel ophalen, dan is suikervoedering in 't voorjaar daar toe te passen.
Het reizen met bijen om ze in 't voorjaar aan voorraad voor de broeduitbreiding te helpen, moet niet worden vervangen door suiker voedering. Dit zou voor de bijenteelt in ons land op den duur noodlottig kunnen worden. Het reizen van het zand naar de kleistreken moet dus zooveel mogelijk worden bevorderd.

5. Ik herinner mij op dit oogenblik niet juist meer hoe de uitspraak bij zoo'n proces is geweest. (*) Maar indien al de man, die zoo honig (?) maakte, niet in de termen viel om gestraft te worden, is daarom nog niet door den rechter uitgemaakt, dat wat zijn bijen uit suiker produceerden, honig is.
De definitie van honig, bij den aanvang vermeld, strijdt althans hiertegen en ook ons rechtsgevoel komt in botsing met zulk een product honig te noemen.
Niettegenstaande, dat meenen velen, dat een dergelijk product van uit Amerika afkomstig, in ons land meermalen als honig is verkocht.
Nu ontbreekt dit product wel honigaroma, maar er zijn odeurtjes genoeg om het ook zulks bij te zetten.
Dat in ons land hiertegen ook wel is gezondigd, ofschoon niet met suiker, bleek op onze algemeene vergaderingen meer dan eens, als ons verteld werd, dat er ijmkers waren, die vette volken verkochten, waarvan de inhoud der korven niets anders bleek te zijn dan stroop.

6. In welk geval suikervoedering in 't voorjaar geoorloofd is, noemde ik reeds onder 4.

7. In hoeverre de bij zelve invloed op het aroma van den honig uitoefent, is mij niet bekend. Maar het feit, dat de nectar betrekkelijk maar kort in het lichaam vertoeft en niet verder komt dan de honigmaag doet reeds vermoeden, dat deze invloed niet groot is. Overtuigender spreekt echter het feit dat de honigsoorten zoozeer in kleur, aroma en smaak uiteenlopen. Indien de bij het aroma bepaalde, zou de honig een meer gelijkmatig product moeten zijn; nu moet dit verschillend karakter wel in den nectar zelve gelegen zijn en dit karakter is afhankelijk van de plant waarop de nectar is gewonnen.

8. Na het voorafgaande zal het den geachten inzender wel duidelijk zijn, dat de Red. niet van meening is, dat het voor onze Nederlandsche bijenteelt wenschelijk is, om het kwantum suiker, dat per volk mag worden aangevraagd, hooger te maken. De suikervoedering moet blijven een noodmiddel, zonder het begrip nood al te streng op te vatten.

Als laatste opmerking wil ik hieraan toevoegen, dat het adres van het H. B. niet gaat over het Maandschrift, maar via den algemeenen Secretaris.
Zooals de geachte inzender wel begrepen zal hebben, zijn deze opmerkingen niet tegen zijn schrijven gericht, maar zit de bedoeling erbij voor om den lezers een duidelijker inzicht in de beteekenis der suikervoedering te geven,


(*) Bij uitspraak van het Reichsgericht te Cassel werd iemand, die honig van suiker afkomstig had geleverd, vrij gesproken, omdat aangenomen werd: Dat Honig een product is van de bij, en dus ook honig, afkomstig van suikervoedering, natuurechte bijenhonig is. (Leerb. Bijenteelt H. Freudenstein, pag. 344).