INGEZONDEN.
Mijnheer de Redacteur!
Ondergeteekende verzoekt beleefd eenige plaatsruimte in ons Maandschrift voor onderstaande regelen. Het kan velen bijenmenschen niet onbekend zijn, en sommigen zullen het zelf ook voelen, dat het met den honighandel nog niet in den haak is, vooral in streken, die wat ver uit het centrum liggen. Deze menschen weten beslist geen weg met hun honig. Nu de stille tijd is aangebroken, men zijn opzetters verzorgd heeft, gaat men praciceeren, waar zet ik nu mijn honig af. Ik weet, dat vele imkers nog met een grooten voorraad zitten, een buurman van mij wel met 1600 pond, die al heel wat moeite heeft gedaan.
Ik wil nu niet beweren dat de handelskamer geen goed werk doet, maar afdoende is het niet. Er moet iets anders komen, iets beters, nl. een honigmarkt, niet op één plaats in ons land, maar op meer plaatsen. Nu zal men zeggen er is toch een honigbeurs geweest maar die deugde immers ook niet. Ge hebt ongelijk, waarde lezer, de honigbeurs deugde wel, maar werd niet goed behartigd. Ik zelf ben er een keer geweest, ik vond het er wel gezellig, maar handel was er niet, honig genoeg, maar geen kooplieden, en de kooplieden, die er waren, waren zelf nog imkers ook. Doch hoe kon het anders, het werd enkel maar in het Maandschrift bekend gemaakt dat er honigbeurs zou zijn, en het Maandschrift leest wel een imker, maar geen koopman. Er had wat reclame gemaakt moeten worden in een paar groote bladen, of b.v. door ophanging van eenige kaarten of biljetten op plaatsen waar men denkt dat kooplieden zullen komen, dan had het misschien beter gegaan.
Voor het geringste van het land of uit de boerderij is een markt te vinden, zelfs voor een konijn of een kip, voor honig vindt men niets van dat alles; is dat niet treurig? Is het niet treurig, dat men met zoo'n heerlijk product moet venten of iemand moet vragen, kunt u mij er ook afhelpen? Wat zou er van den groentebouw in de Streek en in 't Westland terecht zijn gekomen als er geen markt was en men moest vragen wil u mijn kool ook verkoopen. en hoe licht gebeurt het niet, dat een koopman die een partijtje kan gebruiken, het niet kan vinden, terwijl er nog voorraad is. Een markt is de plaats waar kooper en verkooper elkaar ontmoeten en daar doet ook de wet van vraag en aanbod haar recht gelden.
Nu is het dunkt mij voor een bond als de onze, met flinke lui aan het hoofd, toch een kleine moeite om op een paar plaatsen van Nederland iets van dien aard op te zetten of er werk van te maken, dat op iedere markt waar boter en kaas enz. worden verkocht, ook honighandel is. De boeren willen er wel heen met hun honig. Het is maar de kunst om er de kooplieden heen te krijgen en dat kan niet anders dan door er bekendheid aan te geven. Als alle imkers dan samenwerken en met hun honig naar de markt gaan in plaats van ze weg te knoeien, dan zal het best los loopen.
Nu Mijnheer de Redacteur ik hoop niet onbeleefd te zijn geweest door wat veel van uw ruimte te verlangen, hiervoor mijn welgemeenden dank.
Uw dw. dn.,
JOH. GROEN, Enkhuizen.
Ik kan me levendig begrijpen, hoe de heer Groen gesteld is over het feit, honig te hebben en die niet kwijt te kunnen tegen een behoorlijken prijs. Het gaat er zoovelen zoo, en die worden allicht evenals de heer Groen ongeduldig. De een meent dat dit, de ander weer dat iets anders gedaan moet worden. De Handelskamer is juist ontstaan uit die moeilijkheid. Deze kan met een handomdraaien nu niet ineens alles in orde hebben. Laat de Handelskamer nu doorwerken en steun deze zooveel als mogelijk is, zonder uitzondering, dan zal er op den duur wel uitkomst komen.
S.
-------
De Coöperatieve Handelskamer van de Vereeniging voor Bijenteelt
in Nederland.
Velseroord, den 7 December 1914.
Den Heer Redacteur v. h. Maandschrift voor Bijenteelt, Frederiksoord.
Mijnheer!
In het nummer van Nov. v. d. Practische Imker vraagt de redactie of de Handelskamer misschien de schuld is dat er dit jaar z.g. "oorlogssuiker" is afgeleverd. Mag ik U mededeelen, dat de Handelskamer hiermede niets heeft te maken. Aan de H. K. was opgedragen voor de denatureering en expeditie te zorgen, niets meer en niets minder. Dit is dan ook door de H.K. geschied.
U zult mij zeer verplichten dit uwen lezers te willen kenbaar maken.
Hoogachtend,
RICHARDS, Velseroord, den 7 December 1914.