Januari 1915


Wanneer we de toekomst willen begroeten, denken we onwillekeurig aan het verleden.
De toekomst en het verleden zijn immers ook dezelfde. Het is één lijn. De eene kant ligt daar in het volle licht, herkenbaar, zeer duidelijk in de nabijheid, zich in de verte zich verliezende, met hier en daar meer of minder duidelijk sprekende stukken, de andere kant, de toekomst, geheel ingesluierd, onkenbaar, toch soms zich voordoende, alsof de lijn te onderscheiden ware. Enkele scherpzienden meenen zelfs de lijn door den sluier heen te kunnen zien, maar meestal is 't slechts waan.

Het voorbijgegane ijmkerjaar leed als alles onder den abnormalen toestand, die alles beheerscht. We ondervonden dat bij den verkoop der producten; het vereenigingsleven werd er door belemmerd, geen tweede algemeene vergadering; het Maandschrift moest ook al worden gekortwiekt.
Volgen we de lijn nog verder in het verleden, dan springt het meest in 't oog het heengaan van onzen hooggeachten oud-voorzitter G. Baron de Senarclens de Grancy, onder wiens leiding wij zoo gaarne ter algemeene vergadering opgingen, dien dag, bij alle geschil, tot een feestdag makend. Het werken van den heer de Grancy is ons door den heer Frans Netscher in 't Meinummer zoo duidelijk geschetst, dat ik hieraan te kort zou doen, thans daarop terug te komen; maar nog steeds wacht de vervulling der daarbij uitgesproken wensch om den Oud-Voorzitter tot eerelid der Vereeniging te benoemen. Deze vertraging wacht op een algemeene vergadering, is dus mede veroorzaakt door bijzondere omstandigheden.

Met den Voorz. scheidde ook de heer van Duijfhuijs Beijnen uit het H.B., die een ijverig lid daarvan was, steeds op zijn post, reeds vroeger meende de heer A.M. Sprenger te moeten bedanken, zoodat het H.B. in zijn samenstelling een groote verandering heeft ondergaan. De oogen der leden zijn nu op het H.B. geslagen. Van zijn werkzaamheden heden wordt veel verwacht. Wij hopen nu maar, dat de omstandigheden het spoedig zullen toelaten, dat het H.B. zijn wieken breed uitslaat, en dat het succes niet achterblijft. Wij wenschen het H.B. voor het jaar 1915 veel goeds, dat het in staat zal kunnen zijn de Vereeniging tot hooger bloei te kunnen opvoeren, daaraan trouw medegeholpen door zijn secretaris, leeraar, en ook de Handelskamer, die wij hierbij voor dit jaar onze beste wenschen aanbieden.

Zeer veel kan ook door de leden zelve gedaan worden, die thans geen te hooge eischen moeten stellen. Een geest van welwillendheid, van medewerking, van opbouwing, moet door de rijen varen. Er is eendracht noodig. Tweedracht verscheurt. Laat ons dus trachten alle kleinheid te weren, niet te veel willen zien op eigen volmaaktheid, vooral niet denkend, dat wij alleen de wijsheid bezitten. Zal een vereeniging tot grootheid komen dan moet er zijn vertrouwen, het individu moet willen wijken voor 't geheel. Dat is vaak moeilijk. Ieder meent zijn eigen uil een valk te zijn. Dat is vooral ons volk eigen. Wanneer wij eigen individueel belang bij het vereenigingsleven nu eens op den achtergrond mochten plaatsen en in het oog wilden houden het groote vereenigingsbelang met vertrouwen op de leiding, dan zijn de noodige elementen aanwezig om vooruit te komen, want we twijfelen er niet aan, of de bekwaamheid en de wil om vooruit te komen zijn er.

Evenals het H.B. wenschen wij den leden een gunstig jaar. Hun energie moge door de omstandigheden niet worden verlamd, integendeel de toekomst zal in alle opzichten veel van onze krachten vorderen, om te herstellen wat ter vernietiging scheen prijs gegeven.

Het Maandschrift wil zooveel mogelijk medehelpen en verzoekt wederzijdsch hulp, door medewerking. Het Maandschrift moet een uiting geven aan het vereenigingsleven, daarom moet het open staan voor de nooden en behoeften ervan. Hoe meer men de redactie inlicht, des te beter kan het Maandschrift tot zijn recht komen.
Van vele leden ondervond de Red. medewerking. Zij toonden dit door hun bijdragen, door het zenden van foto's, het geven van inlichtingen. Hierbij wordt hun daarvoor openlijk den dank der Red. aangeboden.
Den medewerkers en uitgever in het bijzonder dankt de red. voor hun loyalen steun, en verzoekt hen beleefd daarmede wel door te willen gaan en niet te vertragen.

De Red. zal het zeer op prijs stellen, indien meerderen die iets goeds hebben mede te deelen, dit niet voor zich behouden in kleinen kring, maar daarvan uiting willen geven. Er zijn er nog genoeg, die wat te vertellen hebben, waarom zwijgen ze?

In de hoop, dat het Maandschrift zich weer spoedig zal kunnen herstellen tot zijn vorige uitgebreidheid, dat de mogelijkheid werd geopend om het steeds in belangrijkheid te doen toenemen en in uitvoering te doen winnen, eindigt de Red. haar Nieuwjaarswensch, ook met de beste wenschen voor heeren collega’s, gedachtig aan ‘t aloude spreekwoord: "Aan Gods Zegen is ‘t al gelegen".

H. Stienstra.