De strookorf
Beknopte bijenteelt in woord en beeld

1 en 2 stellen voor het vervaardigen van de gewonen ronden bijenkorf. Bij 1 ziet men het begin van een korf, bij 2 een half voltooiden. Hiervoor heeft men noodig: goed stevig roggestroo, gespleten bramen of Spaansch riet, een vlechtring en een vlechtnaald. De vlechtring zit om het losse - nog niet vastgevlochten stroo bij 1b en 2b en wordt telkens, als een nieuw bundeltje stroo tusschen wordt gestoken, verder geschoven. Deze ring, die bij 21 afzonderlijk is te zien, dient om het stroo bij elkaar te houden en te zorgen, dat de stroorand overal van gelijke dikte is, is dus in zekeren zin de maatstaf voor de dikte van den korfwand. 22 en 22a vertoonen ons twee soorten van vlechtnaalden, waarmee het riet wordt doorgehaald. 22 is een schuitvormig uitgeholde ijzeren naald, ter lengte van pl.m. 5 c.M., welke in een houten heftje is gevat. Deze wordt op de plaats, waar de spleut moet doorkomen, door den vastliggenden rand gestoken, de spleut wordt in de uitholling gelegd en zoo bij het terugtrekken van den naald mee doorgetrokken. 22a is een gewone naald, op het dikste eind voorzien van gaatjes, waardoor het riet wordt gestoken en zoo met den naald wordt doorgetrokken.
Tegenwoordig gebruikt men als vlechtriet meestal gespleten Spaansch riet, vroeger meer algemeen gespleten éénjarige onvertakte uitloopers van de gewone braam (Rubus fruticosus) die in het najaar langs wegen en boschranden werden opgezocht en in drieën of vieren gespleten, waarna de pit er werd afgeschrabd.
3 is een voltooide korf. Deze zijn gemiddeld binnenwerksch 45 c.M. hoog en pl.m. 40 c.M. breed en hebben een inhoud van ongeveer 40 d.M3 of liter.
4 is een onderzetrand, welke door middel van 4 krammen (fig. 23) onder den korf bevestigd kan worden.
5 laat ons een spijl zien waaraan 3 stukjes werkbijenraat of voorbouw zijn vastgesmolten. Deze wordt zoo in den kop van den korf bevestigd, dat de stukjes raat loodrecht op den voorkant van den korf komen te staan.
In plaats van voorbouw gebruiken sommigen wel driekantig gesneden spijlen, die dan, op afstanden van 3½ c.M., van voren naar achteren zoodadig in den kop van den korf worden gestoken, dat een scherpe kant naar beneden is gekeerd. Aan dezen scherpen kant beginnen de bijen dan met het werken.
6 en 7 laten zien, hoe de verdere spijlen in den korf zijn bevestigd. Ze moeten steeds dwars door den korf loopen, meestal 3 op gelijke hoogte naast elkaar. Deze spijlen worden veelal gemaakt van de veelvuldig in de bosschen voorkomende vuilboom (Rhamnus Frangula).
8 vertoont het uitzwavelen van een korf. Deze staat op een in den grond gegraven kuil, waarin een brandende zwavellap.
In plaats van de bijen op deze in manier te dooden, kan men ze ook tijdelijk bedwelmen en wel door kalisalpeter of door stuifpaddestoelen (Bovista's). Met kalisalpeter kan men als volgt te werk gaan: in een sterke oplossing van dit zout worden eenige oude vodden gedrenkt en daarna gedroogd. Deze met kalisalpeter doortrokken vodden kunnen vervolgens in den berooker, fig. 24, worden verbrand, waarna de rook in den van de buitenlucht afgesloten bijenkorf wordt geblazen. De bijen bedwelmen hierdoor en vallen naar beneden, waar ze op een doek worden opgevangen, om later in de zon weer bij te komen.
De Bovista’s worden evenals bij het uitzwavelen in een in den grond gegraven kuil op een pot met vuur verbrand, waarna de bijen van den hierboven geplaatsten korf naar beneden op den doek vallen. Ook deze bijen kunnen later weer bijgebracht worden.
10 laat zien hoe het uitjagen van een volk door klopping geschiedt. De onderste korf bevat het uit te jagen volk, de bovenste korf is ledig. Om het omvallen te voorkomen, is de onderste omgekeerde korf in een onderzetrand geplaatst. Men begint zoo laag mogelijk, vlak boven den onderkant met kloppen, om langzamerhand, naarmate de bijen naar boven gaan, hooger te kloppen. Dit kloppen moet met beide handen tegelijk voor en achter tegen den korf geschieden, om het stuk slaan van de raat te voorkomen. Wanneer na een kwartier ongeveer de bijen goed aan 't loopen zijn, hetgeen men aan 't ruischen kan hooren, mag de naar den klopper toe gekeerde kant van den bovensten korf wat opgelicht worden, door de krammen aan deze zijde wat te versteken. Door deze opening kan het loopen dan worden waargenomen en kan men af en toe door middel van een weinig rook of een stokje wat meer beweging in de bijenmassa brengen.
Bij 10 staat het afgejaagde volk op een zwarten doek om te onderzoeken of de koningin mee aanwezig is. Is dit 't geval dan ziet men al heel spoedig eenige licht gekromde, geelachtig-witte eitjes onder den korf op den doek liggen, op de teekening van den korf zichtbaar.
11 laat ons een opgedoekten korf zien, terwijl bij 12 een aantal koloniën op een wagen zijn geplaatst om te worden vervoerd, hetgeen uitvoerig op pag. 205 van den vorigen jaargang is (1914) beschreven.
13 is een van touw geweven bijendoek, waarvan de afmetingen ongeveer 50 X 50 c.M. zijn. Aan ieder der vier hoeken is een metalen pennetje bevestigd, welke in den korfwand wordt gestoken bij het opdoeken.
14 is een tang om de spijlen mee uit te trekken, wanneer het oogsten van den honig plaats vindt, terwijl 15 en 17 een paar messen voorstellen, welke bij dit oogsten dienstbaar zijn.
16 is een gewone koperen spuit, welke bij het vervoeren der bijenvolken wordt gebruikt om de bijen van de doeken te houden of een vliegende zwerm door een paar stralen water te doen plaats nemen.
18 is een mes met zeer lang lemmet om het darrenbroed te snijden.
19 stelt voor een vork, welker 3 tanden, een driehoek vormen. Deze wordt gebruikt, wanneer een zwerm zich op een hooge plaats heeft neergezet; de tanden kunnen om een bijenkorf of neps worden gestoken. De lange steel, welke in den vork zit, maar op de teekening is afgebroken, staat toe den zwerm van zijn hooge plaats in den korf of neps te schudden.
20 is een ketting waarmede een korf, waarin een pas geschudden zwerm, in een boom kan worden opgehangen. Ook kan deze ketting dienst doen bij het wegen van volken door middel van een unster.
Frederiksoord G. Mulder.