Het besproeien van kruisbessen en de bijen.
Binnen enkele weken wordt in de streken, waar op eenigszins groote schaal aan de kruisbessenteelt wordt gedaan, weer een begin gemaakt met de bespuiting dezer bessenstruiken met Bordeauxsche pap en met Parijsch groen, of met de bestuiving dezer struiken met insectenpoeder.
In hoofdzaken worden deze bestrijdingsiniddelen aangewend tegen de z.g. "trekmade" (d.i. de rups van den wintervlinder), de z.g. "rupsen, dat zijn de bastaardrupsen van de kruisbessenbladwesp en tegen de bessenspanrups.
Het is uit den aard der zaak gewenscht, met de bespuiting of de bestuiving te beginnen zoodra deze insecten beginnen hun schadelijke werking uit te oefenen. Velen gaan dan ook reeds tot bespuiten en bestuiven over voor de bloei aanvangt of wel gedurende den bloeitijd.
Het is de vraag of een zoo vroegtijdig gebruik maken van de bestrijdingsmiddelen tegen rupsen beslist noodzakelijk is. Niet ieder jaar vangen de schadelijke insecten even vroeg in de lente haar vernielingswerk aan; en zoo kan het zijn, dat met 't oog op hun bestrijding, het eene jaar de bespuiting iets vroeger kan beginnen dan het andere.
Toch zouden we aan de bessentelers in overweging willen geven, indien eenigszins mogelijk, hun bespuitingen en bestuivingen van kruisbessenstruiken, tot even na den bloeitijd uit te stellen. Het is n.l. door ondervindingen, zowel hier te lande als elders opgedaan, bewezen, dat er soms tengevolge van de bespuiting met Bordeauxsche pap of met Parijsch groen, naar 't schijnt, ook wel tengevolge van de bestuiving met insectenpoeder, schade aan de bijenhouderij wordt toegebracht, doordat de bijen van de vergiftigde middelen, die zijn aangewend, opnemen. In ons land is zoodanige schade aan den bijenstand slechts enkele malen voorgekomen, en wel steeds wanneer kruisbessen voor of gedurende den bloeitijd werden bespoten; de bouw van de bloemen der zwarte-, roode- en, witte bessen en ook die van de bloemen, der ooft boomen is zoodanig, dat de bijen bij het opnemen van honig en stuifmeel uit deze bloemen niet vergiftigd worden.
De schade, door bespuitings- en bestuivingsmiddelen aan de bijenteelt toegebracht, komt niet alleen ten nadeele van den bijenhouders, maar eveneens ten nadeele van den fruitkweeker. Want de bijen zijn ook voor dezen onmisbaar, wijl zij de bevruchting van ooft- en besvruchten bewerken. Zonder de bijen grijpt geen of onvoldoende bevruchting der bloemen plaats, en blijft kruisbessenbestuiving uit. En de bijenhouders, bang geworden door eenige gevallen van schade aan den bijenstand veroorzaakt door het gebruik van besproeiïngsmiddelen, gaan meer en meer angstvallig de streken waar gesproeid wordt, vermijden. Hier komen dus twee groote belangen van den ooftbouw met elkaar in botsing, n.l. het bestrijden van schadelijke insecten en het bevruchten van de bloesems der ooftboomen en besenstruiken, door bijen.
Daarom is het voor den ooftteler zoowel als voor den bijenhouder van het grootste belang, dat nauwkeurig nagegaan wordt, onder welke omstandigheden de besproeiïngsmiddelen in ooftboomgaarden en bessentuinen gevaar voor de bijenteelt kunnen opleveren. Uit dien hoofde verzoeken ondergeteekenden beleefd maar dringend, dat in de streken waar bespuitings- of bestuivingsmiddelen worden gebruikt, ieder geval waarin nadeel, in de bijenteelt schijnt te zijn teweeg gebracht, zoo spoedig mogelijk aan een van ons worde medegedeeld, onder opgave van den tijd wanneer, en van de middelen waarmee gespoten is; als ook van de soort van struiken, die bespoten zijn.
Wij hopen dan een onderzoek in te stellen, waarbij - zoo noodig - de Rijks-seruminrichting ons behulpzaam wil zijn; opdat worde vastgesteld, onder welke omstandigheden bespuitingen gevaar kunnen opleveren voor de bijenhouderij, en onder welke omstandigheden niet.
Inmiddels geven wij al vast een raad aan de oofttelers en een raad aan de bijenhouders; en wij meenen te mogen verwachten, dat wanneer aan beide kanten onze raadgevingen worden opgevolgd, de kans, dat er vergiftiging van bijen door besproeiingsmiddelen zal plaats grijpen, tot een minimum zal worden beperkt.
Onze raad aan de fruitkweekers luidt: bespuit uw kruisbessenstruiken, als 't eenigszins anders kan, niet voor de bloeitijd over is (zie boven).
Onze raad aan de bijenhouders luidt: Wanneer ge met Uw bijen komt in een streek, waar met Bordeauxsehe pap of Parijsch groen wordt bespoten, zorgt dan voor een goed beschutte drinkplaats voor de bijen. Mengt, ten einde deze dieren te leeren, spoedig de drinkgelegenheid te vinden, gedurende de eerste dagen wat honig door het drinkwater. En laat op dat drinkwater wat strootjes, schijfjes kurk, veenmos of oude raten drijven, opdat de bijen daarop kunnen gaan zitten, en geen gevaar loopen te verdrinken. Wanneer men de bijen een goede drinkgelegenheid verschaft, wordt het gevaar weggenomen, dat zij in droge tijden haar dorst zouden gaan lesschen met vergifthoudende vloeistoffen.
Wageningen, Maart 1915.
De Directeur van het Instituut voor Phytopathologie:
Prof. J. RITZEMA BOS.
De Wandelleraar der Vereeniging ter bevordering der bijenteelt in Nederland
L. v. GIERSBERGEN.