Bijenteelt in Zwitserland.
Op 't eind der achttiende eeuw verkeerde de bijenteelt in Zwitserland in den toestand, waaruit ze zelfs nu nog niet overal is geraakt en die weergegeven werd in de vrijvertaalde dichtregelen:
Wie bijen heeft én schapen,
Legge zich neder te slapen.
Maar niet al te lang.
Dat hem 't gewin niet ontkwam.
Wel waren er enkelen, die een gunstige uitzondering maakten, en leefde in die tijd de beroemde François Huber uit Genève, maar eerst nadat Dzierzon den lossen bouw vond, kwam er een meer algemeene opleving.
Na eenige schommelingen, die ten slotte in de richting voerde van een groote kast met groote ramen, kwam men tot de Zwitsersche kast. Bij deze kast is L x B x H : 60 x 30 75,5 c.M. In de broedruimte staan 16 raampies. De broedraampjes zijn B x H 27 x 31,5 c.M., de raampjes der honigruimte B x L: 27 x 16,2.
Het was een kast met staand raam, en twee honigruimten, warmen bouw en twee opzetruimten van achter behandelbaar.
Door invloed van het Franschsprekende deel van Zwitserland, waar oorspronkelijk ook Duitsche kasten in gebruik werden genomen, maar die later geheel verdrong werden door den Fransch-Amerikaanschen Dadant kast, welke van bovenaf wordt behandeld, onderging de Zwitsersche kast wijzigingen in deze richting. Aan den eenen kant sprak de doelmatigheid van het bovenaf behandelen, aan den anderen kant wenschte men te behouden, de behandeling van achteren, omdat dit het paviljoen-systeem toelaat. Daardoor werd de Zwitsersche kast gewijzigd tot een bladerkast, zooals de Alberti, waarbij de ramen der broedruimte, zonder dat de honigruinite wordt verwijderd kunnen worden nagegaan, maar ten slotte kwam men tot de behandeling van bovenaf en ontstond een kast, die overeen komt met die van Gerstung en dus van achter en van boven behandelbaar is met het Zwitsersche raammaat.
De groote Zwitsersche kast vereischt natuurlijk een verbazend sterk volk. Eerst trachtte men door invoering, van Krainer bijen daartoe te komen, thans doet men dit door nauw gezette teeltkeus.
Vereischte is, dat de bijenteelt zich richt naar de heerschende toestanden. Deze is nu zoo, dat de hoofddracht valt van eind Mei tot midden Juni. Deze dracht is vrij zeker. Wel is er ook een zomerdracht, die de z.g. woudhoning levert, maar die is vrij wisselvallig. Het streven van den Zwitserschen ijmker moet dus zijn een vroegtijdige ontwikkeling der volken, zoodat einde Mei veel vliegbijen voorhanden zijn en het beletten van het zwermen.
(Wordt vervolgd.)
[S.]