Bijenteelt in Zwitserland (vervolg)
Nu zorgt in de meeste gevallen de natuur er zelf wel voor, dat in het voorjaar de volken tot broedaanzet worden geprikkeld. Er is rijke dracht op stuifmeel van hazelaars, elzen en hoefblad, dan komen wilgen, olmen en populieren en werken de weideplanten, primula’s en anemonen mede en bovenal leeuwentand.
De weilanden en fruitboomen leveren nectar om de ledig rakende cellen opnieuw met honig te vullen.
Prikkelvoedering of z.g.n. speculatief voederen past men liever niet toe, men laat het liefst aan de natuur zelve over.
Vroeger was men erop uit tijdens de overwintering, het broednest klein te nemen, thans overwintert men op 8 à 10 ramen, of laat zelfs alle broedramen in de broedruimte met soms nog wel een honigruimte. Tijdens den kersenbloei, die drie à vier weken vóór de hoofddracht valt, worden de honigruimten reeds geplaatst, zonder zich erover te bekommeren, dat in Mei het weer vaak terugslaat; men zorgt echter, dat de kasten goed sluiten.
Het zwermen valt doorgaans juist voor de hoofddracht; dit tracht men in hoofdzaak te beletten door koninginneteelt van zwermtrage volken en het uitschiften van zwemgrage volken.
Na de hoofddracht, die met den honigoogst is geëindigd, komt de tweede dracht op den z.g.n. woudhonig, maar vaak blijft deze uit.
Toch moet er nu veel broed worden geteeld om 't volgende voorjaar veel vliegbijen te hebben, daarom wordt er geregeld vanaf eind Juli, begin Augustus tot begin September gevoerd.
Ieder volk ontvangt naar omstandigheden per week 1 à 2 L. voeder, beste Frankforter pilé, en ten slotte wordt nog zooveel daarvan ingevoerd, dat de wintervoorraad nog tijdig kan worden verzegeld. Het voederen geschiedt met de welbekende ballons of met voederbakjes, die 2 L. suikersap inhouden.
De Zwitsersche bijenteelt is er zooveel mogelijk op uit den arbeid zooveel mogelijk te vereenvoudigend, zich volstrekt niet op te houden met kunstenmakerij, maar te werken volgens een goed overlegd plan. Dit blijkt ook al hieruit, dat men de bijen 's winters niet al te knusjes in een kleine ruimte opbergt, en warm, zeer warm toedient, maar dat men den geheelen raatbouw 's winters aan 't volk laat. Het warmhoudende dek wordt eerst gegeven in 't voorjaar als die broedontwikkeling is begonnen.
De ontwikkeling der bijenteelt in deze richting, nl. van den mobiel of lossen bouw, was oorzaak, dat meerderen zich begonnen toe te leggen op de bijenteelt en nu deze meer wetenschappelijk werd gedreven, ontstond behoefte zich meer intellectueel te kunnen bevredigen. Daarvoor werd reeds in 1861 een vereeniging opgericht, ontstond het Zwitsersche bijenblad en werd een bibliotheek gevormd, waarvan vlijtig gebruik werd gemaakt. In 1880 ontstond een instituut voor wandelleeraars, die het land rondreisden om overal kennis aangaande de bijenteelt te verspreiden.
Om zooveel mogelijk eenheid in doel en methode te verkrijgen, werden vanaf '88 verscheidene cursussen voor wandelleeraars gehouden. In hetzelfde jaar werd een museum voor bijenteelt opgericht, dat jaarlijks gemiddeld door 1000 personen wordt bezocht. De statistiek werd ook niet vergeten en in '96 bleek daaruit, dat er in Zwitserland 44583 ijmkers waren met 254,109 volken, met een toename in 20 jaren van ruim 3000 ijmkers en 75000 volken. Dit beteekent, dat er toen in Zwitserland op 75 bewoners één ijmker was met gemiddeld 6 volken. De strookorven zijn bijna geheel door kasten verdrongen.
De voornaamste uitingen van de Zwitsersche bijenteelt zijn in de laatste jaren:
1. De inrichting van waarnemingsstations.
2. honigdépots en honigcontrôle.
3. Rassenteelt.
De waarnemingsstations bestaan in 't houden van 7 volken, die geplaatst zijn op een weegschaal, zoodat ieder oogenblik, dat men dit wenscht het juiste gewicht kan worden waargenomen. Verder is er aanwezig een maximum- en minimum-thermometer. De houder is verplicht dagelijks zijn waarnemingen op te teekenen en daarvan bericht te doen, waarvoor een vergoeding wordt toegestaan. Thans zijn er ruim 30 dezer stations. Als practisch resultaat kan o.a. worden genoemd, dat door deze stations is gebleken, dat de leer: "de koude is de grootste vijand voor de bij" - een valsche is. Juist in koude winters is 't honigverbruik geringer dan in zachte.
De dépots hadden ten doel om de honigproducenten en consumenten dichter bij elkander te brengen, ten einde te voorkomen, dat de meerdere honigopbrengsten oorzaak zouden zijn van een teruggang in den prijs, tevens om sterk te staan tegenover concurrentie van buiten.
Daartoe werden lijsten opgemaakt van wat de aangesloten ijmkers hadden te verkoopen en deze lijsten werden gratis aan de gebruikers toegezonden, om deze de gelegenheid te geven zich direct met den producent in verbinding te stellen.
Een voorname instelling was de contrôle, en deze heeft dan de hooggespannen verwachting voldaan. De contrôle wordt georganiseerd door de hoofdvereeniging, die filialen aanwijst. De noodige formulieren worden gratis verstrekt, etiketten en reclameplaten verschaft en er wordt voor een geschikte reclame gezorgd. Voor de contrôle zijn controleurs aangesteld. Deze bezoeken de aangesloten ijmkers, onderzoeken den honig en nemen een monster, dat met een voorgeschreven formulier wordt opgezonden naar de contrôlecommissie. Deze onderzoekt de monsters opnieuw. Verdachte monsters worden aan een centraal-heronderzoek onderworpen. IJmkers, die zich aan een strafbare handeling schuldig maken, worden voor altijd buiten
de contrôle gesteld. Wie aan de eischen der contrôle heeft kunnen voldoen, erlangt het recht om van het vereenigingsetiket en reclameschild gebruik te maken. Hij is echter verplicht om zich te houden aan de voorschriften over het winnen, klaren en de bewaring van den honig.
Door de Rassenteelt is de Zwitsersche ijmkerij overal bekend geworden. In de eerste plaats verlangt deze dat geen vreemde rassen, op den stand worden toegelaten, omdat kruisingen in het algemeen slecht hebben voldaan. De rassenteelt bedoelt paring van uitgekozen koninginnen met darren van evenzeer goede afkomst. De koninginnen moeten afstammen van volken, welke uitmunten door broedaanzet en het verzamelden van honig, verder wordt gelet op gezondheidstoestand, weerstandsvermogen en karaktereigenschappen. De koninginnen moeten donker van kleur en krachtig gebouwd zijn. Evenzoo moet de dar, die de bevruchting zal tot stand brengen, van een uitstekend volk afkomstig wezen.
Om er nu voor te zorgen, dat de paring werkelijk met zulk een dar zal plaats hebben, heeft de bevruchting op z.g.n Belegstationnen plaats. Deze stations liggen op minstens 2 K.M. afstand van een bijenstand.
Naar deze stations kan men volken of volkjes zenden met moerdoppen of onbevruchte koninginnen, om deze bevrucht te krijgen met darren afkomstig van uitgezochte volken. Ook kan men van daaruit bevruchte edelkoninginnen ontbieden.
S.