Augustus-September
Sedert ons vorige schrijven is er veel veranderd. Vooreerst heeft de droogte plaats gemaakt voor regen, en dit was gelukkig ook, want de verschillende gewassen hadden gebrek aan regenwater. In de kleistreken was het zelfs zoo droog, dat de witte klaver niet goed meer groeide en bloeide, zoodat deze dan ook geen nectar meer afscheidde. De bijen, die van de klei naar de boekweit zijn gebracht, kregen zeker nog al wat voorraad mede, die ze op vruchtboomen, witte klaver, herik en paardeboonen verzameld hadden. Dit was maar goed ook, anders hadden de ijmkers aan de boekweit moeten voeren. De boekweit op de Veluwe bloeide prachtig mooi, doch door de vele regens en de koude, hebben de bijen er weinig van kunnen verzamelen. Nu blijft er nog één hoop over, en dit is de heide - Calluna vulgaris - Er zullen ook wel plaatsen zijn, waar reeds de slingermachine gesnord heeft, en men een partijtje slingerhonig geoogst heeft, doch men moet daarmede altijd voorzichtig zijn, en zorgen, dat de volken voorraad behouden, want bij slecht weder voeren, valt niet mede; daarbij komt nog, dat de volken in den zomer gewoonlijk sterk broeien en daarvoor hebben ze veel noodig. Is er nu een heel kleine voorraad voedsel, dan gaat het broeien niet meer zoo goed, en men komt aan de heide met volken, die niet zijn, wat ze moesten wezen. Dan wordt er geklaagd dat de volken zoovéel bijen verloren hebben, doch daarbij wordt vergeten, dat ze gewoonlijk maar 6 weken oud worden; bij ongunstig weder vliegen, en werken ze niet zoo hard waardoor er ook niet zooveel sterven; komt er nu bij de heide goede dracht, dan zijn in enkele dagen die oude bijen verloren en, doordien er nu niet zooveel jonge bijkomen, zijn de volken spoedig kaal, zooals men dit noemt. Daarom is 't van groot belang, dat het broeien gedurende den boekweitbloei geregeld doorgaat.
Bij de heide zoeke men zijn wintervolken reeds uit, en zorge er voor geen te oude koninginnen mede den winter in te nemen. Indien het kan is 't beste om jonge, vruchtbare koninginnen op te zetten en dan vooral opletten, dat hare nakomelingen goede raatbouwsters, honigdraagsters, en niet te zwermlustig zijn; ook drage men zorg geen buitengewone steek- en rooflustige mede den winter in te nemen, want daarvan heeft men meer verdriet dan pleizier. Vooral lette men op goeden regelmatigen bouw, zonder te veel darrenwerk en bovenal op den voorraad. Door de suikerlevering, die thans een enormen omvang heeft aangenomen, worden er nog al wat fouten begaan, waartegen we moeten waarschuwen; er worden soms late kleine zwermpjes opgezet, en, deze halen natuurlijk hun wintervoorraad niet, worden dan met suiker opgevoederd tot ze zoo ongeveer Maart kunnen bereiken zonder te voederen. Maar dan moet men wederom met den voederpot loopen, en dan nou hoort men wel, kijk dit was een klein ding, doch ik heb hem toch goed door den winter gekregen. Naar de koningin wordt niet gevraagd of ze goed is of niet; men is er trotsch op, dat men zoo'n laat zwermpje in 't leven heeft behouden.
Ik geloof dat dit een verkeerde trotschheid is, want meestal zijn dit zeer zwermlustige koninginnen en kan men bijna nooit met zulk een koningin een goed volk krijgen, want zoo spoedig het eenigszins een flink volk wordt legt het zich weer op zwermen toe, maakt moerdoppen, bezet dezelve en men kent het liedje wel. Neen, weg met al die kleine nesten, zet goede, flinke volken op, en is het dan, dat deze te weinig voorraad hebben geef ze wat gedenatureerde suikeroplossing. Zijn ze wat zwaar het hindert niet men heeft er geen zorgen mee en het volgende voorjaar veel plezier van. Ik heb altijd ondervonden, als ik in 't voorjaar bij ijmkers kwam, dat ze met een zekere voorliefde hunne zware volken lieten zien.
Mocht het echter gebeuren dat tijdens het bloeien van de heide er veel regen valt, dat we z.g.n. een natten tijd hebben dan kan het zeer voordeelig zijn om ieder volk b.v. 5 pond suikeroplossing te geven. De suikeroplossing moet dan niet te dun zijn, b.v. 3 gewichtsdeelen suiker op 2 water. Dit voedsel dient dan om loop te voorkomen. Dat het daarvoor zeer werkzaam is, leerde de ondervinding. Bij gebrek aan vliegbaar weder moeten de bijen het kot of vuil in haar lichaam bewaren. Dit kunnen ze op den duur niet. Ze beproeven nog wel om naar buiten te komen, doch meestal bevangt haar de kou en ze laten het vallen waar ze zijn en bevuilen de woning, de raten enz.: na korte tijd verzwakt zulk een volk zoo, dat het een zwakkeling is en eindelijk sterft. Neem vooral geen in den winter, die het vorig jaar sporen van loop vertoond hebben.
Nu nog iets voor den lossen bouw-ijmker. Deze kan met voordeel het broed, van de volken, die hij opruimen wil, plaatsen in de wintervolken; deze worden hierdoor sterk en krijgen alle jonge bijen en komen bijgevolg sterk in den winter. De beste tijd hiervoor is van 20-30 Augustus.
X.