October - November


We kunnen nu zeggen er is weer een jaar voorbij en dan welk een jaar. In 't voorjaar waren de verwachtingen wel groot, immers het ging zoo mooi; 't weer was prachtig en de volken ontwikkelden goed. Het ging zoo alles naar wensch en menigeen zal wel groote plannen gemaakt hebben. Onder zulke omstandigheden wordt er aan tegenslag al weinig gedacht. Toch bleef ons ook die niet gespaard, en begon dan met een zeer strenge nachtvorst, waardoor de boekweit op vele plaatsen geheel, of gedeeltelijk bevroor. Hierdoor was reeds het beste vooruitzicht van de boekweit verloren: toch leefde later door de plasregens en 't zachte weer, de hoop weer eenigszins op, want alles was nog niet afgevroren en al stond ze wat dun dat kon voor een groot gedeelte nog wel terecht komen, immers, boekweit moet niet zoo dicht staan, ze kan dan beter uitstoelen. Dit ging dan ook vrij goed, doch het weder, ja! dat deed het hem toen. Tijdens den bloei was er bijna geen dag, dat de bloem wat nectar afscheidde; de eene dag na den anderen hoopte de ijmker, dat het weer wat zou opknappen, doch het bleef zoo en ten slotte bleek het, dat er van de boekweit niets was opgelegd, ja zelfs was het zoo, dat het gelukkig was, dat ze met een kleinen voorraad van honig aan de boekweit kwamen, anders had men spoedig moeten voeren, om ze voor den hongerdood te bewaren. Nu kon dit achterwege blijven.

Toch zullen er velen geweest zijn, die zeer goed hadden gedaan om, om den anderen avond of bijv. tweemaal per week een portie voeder te geven, dan was de koningin beter doorgegaan met eieren te leggen en men had aan de heide niet zoo behoeven te klagen, dat men geen bijen had. Wat toch was nu het geval, dat er, toen er aan de heide een paar goede drachtdagen waren, die oude bijen, die zeer weinig hadden kunnen doen, spoedig vertrokken waren, d.w.z. dood. Als er nu maar voldoende broed was geweest, dan had men dat zoo niet gemerkt, doch nu werd er algemeen gezegd, dat de kolonies zooveel volk verloren hadden. Moge deze les ons goed in 't geheugen blijven, opdat we daar later rekening mede houden, want, wat is het geval: iedere bij gaat gemiddeld als ze 14 à 15 dagen oud is op dracht uit; ze heeft 21 dagen noodig om van ei tot volkomen bij te ontwikkelen; hieruit kunnen we zien, dat de koningin, voor een bepaalde dracht, 35 dagen van te voren, zooveel mogelijk eieren inleggen moet, om de beste resultaten van die dracht te hebben. Daarmede wordt nog te weinig rekening gehouden.

Ook de dracht op de heide is tegengevallen eensdeels om bovengenoemde oorzaak en anderdeels ook al door het slechte weer. Niettegenstaande het slechte weer, hebben toch die volken, welke een voldoenden voorraad bijen hadden, nog aardig van de heide verzameld en zullen er dan nog al heel wat volken zijn, die of bijna of geheel voorraad genoeg hebben voor den winter. Waar dit echter niet het geval is, moet men den voorraad aanvullen, hetzij door verzegelden honig te geven of ze suikeroplossing toe te dienen. Dit moet zoo vroeg mogelijk gebeuren, zoodat de bijen in staat zijn om den voorraad te verzegelen voor strenge koude invalt. Dit is van 't grootste belang, want als 't voedsel onverzegeld blijft is 't voor de bijen zelfs zeer gevaarlijk.
Honig en ook suikeroplossing is hygroscopisch, d.wz., nemen water op uit de lucht en verdunnen zich. Bij eenigszins warm weder, of ontwikkelen de bijen in de woning voldoende warmte, dan gaat deze suiker in gisting over, en is dit zoo, dan krijgen de bijen den loop, en wordt het een armzalig volk zoo het niet geheel te gronde gaat. Vertoonen zich bruine vlekken aan het vlieggat dan weet de imker wel, wat dat beteekent, en komt er dan niet spoedig een mooie dag, dat de bijen kunnen vliegen zoo wordt zoo'n volk een prooi van den loop en zal wel, blijft het in leven, den halven zomer noodig hebben om een eenigszins goed volk te worden. Ook gebeurt het wel, dat, zijn een groot gedeelte van de bijen verloren, het overige gedeelte er in zijn geheel uitvliegt, zoodat er een ledige vuile woning overblijft. Wil men later een zwerm daarin doen, dan gelukt 't meestal niet om hem daarin te houden, hij gaat er weer uit. Men doet het beste om de raten uit te breken en ze te smelten.
Doet men bij de suikeroplossing een weinig honig dan halen de bijen het beter op en gaan het bij enigszins warm weder spoedig verzegelen.

De vellen en ledige raten moet men zooveel mogelijk op een droge en vorstvrije plaats bewaren, nadat men dezelve eerst goed gezwaveld heeft. Deze hebben het volgende jaar weer groote waarde. Op de vellen kan men weer zwermen doen en wel jonge koninginne-zwermen. Doet men oude koninginnen of jagers daarop dan zullen deze spoedig weer zwermen, wat in de meeste gevallen meer schade dan voordeel is. Zorg, vooral, dat uwe volken voldoende warm verpakt zijn, dan blijven ze het beste gezond en eten het minst.

Heeft men zijne bijen voor den winter goed verzorgd, dan heeft de imker den tijd om zijn honing tegen de beste prijzen te verkoopen, om later weer toebereidselen te maken voor het volgende jaar. Alle kasten en korven moeten nagezien worden en indien reparatie nodig is, dan dient die bijtijds uitgevoerd te worden, en heeft men voor versleten materialen nieuw te maken, opdat, als het voorjaar komt, men niet nog alles in orde moet maken. Wil men van den vasten tot den lossen bouw overgaan dan kunnen voor de versleten oude ronde korven boogkorven of kasten in de plaats gemaakt worden. Ook zorge men bijtijds kunstraat te bestellen, opdat, wanneer men ze gebruiken moet, men ze niet nog eerst te bestellen heeft. Dit is ook voor hem die ze fabriceert en verkoopt veel gemakkelijker, daar hij dan alle orders op tijd kan uitvoeren en niet op een zeker moment zoo met orders overstelpt wordt, dat 't hem onmogelijk is, om ze op tijd uit te voeren. De ijmker is ook daarmede gebaat, want hij kan dan alles in orde maken in den slappen tijd, en komt de drukke tijd, dan kan hij al zijn tijd gebruiken om ze aan de bijen te besteden.
Daarom nogmaals: zorg vooral met uwe werkzaamheden klaar te zijn, voor de bijen U noodzaken om alles hals over kop te doen, wat niet in uw eigen voordeel, en meestal tot schade van de bijen is.
X.