Waarnemingsstation Boekelo (O.) 1915.
We kunnen het verloopen jaar voor ons imkers weer onder de slechte rangschikken. De overwintering was in deze streek over 't algemeen slecht te noemen. Vele volken kwamen zeer zwak door den winter en menigeen had één of meer dooden op zijn stand.
De zachte, natte winter zal gedeeltelijk de oorzaak kunnen zijn, doch voor een groot deel mogen we de schade gerust op rekening van de slechte suiker boeken.
De feiten spreken zoo klaar, dat twijfel dienaangaande niet noodig is.
Bijen, dit najaar met suiker gevoederd van de in den vorigen winter gestorven volken, vertoonen reeds weer dezelfde verschijnselen. Waren in den aanvang van 1916 de meeste volken zwak, 't weder in de maanden Febr., Maart en April was voor de volksontwikkeling niet gunstig.
Na de reinigingsvluchten (5 Febr.) bleef 't weer aanhoudend slecht, zoodat einde Maart de bijen pas goed weer vlogen.
Ook April gaf bij geregelde nachtvorsten koud weer. De vruchtboomen bloeiden hier minstens een week later dan gewoonlijk. In Mei werd een gedeelte van de schade weer ingehaald. Mei gaf een gewichtsvermeerdering, wat hier in deze maand zelden voorkomt.
De vruchtboomen konden aanhoudend druk bevlogen worden en 't gunstige weer was oorzaak, dat vooral in de eerste helft der maand flink honig en stuifmeel gehaald werd. Dat de bijen zich in dien korten tijd reusachtig ontwikkelden, zegt ons de waarnemingstok, die met enkele andere goede volken 24 Mei „omgehangen" werd.
Na 't „omhangen" kregen we eind Mei en begin Juni slecht weer.
Behalve de waarnemingstok, die met 't omhangen uitgebouwde raten kreeg, werden de andere volken van kunstraat voorzien. Ze bouwden zeer slecht en kwamen dus in verhouding tot de volken, de niet omgehangen waren langzamer vooruit. 't Bleek later ook een schadepost te zijn. 't Zal dus over 't algemeen aanbeveling verdienen, dat men met 't omhangen eenige uitgebouwde raten met flink honig in de onderste broedkamer hangt.
Wordt vervolgd.