Waarschuwing aan Bessentelers en aan Bijenhouders.
Spoedig is de tijd weer daar, waarop de bessentelers, hoofdzakelijk ter bestrijding van verschillende rupsen, hunne bessenstruiken gaan bespuiten met Bordeauxsche pap, waardoorheen Parijsch groen is gemengd, of dat zij ze gaan bestuiven met Amerikaansch insektenpoeder. Het is uit den aard der zaak gewenscht, met de bespuiting of de bestuiving te beginnen, zoodra deze insekten aanvangen hun schadelijke werking uit te oefenen. Velen gaan dan ook reeds tot bespuiten en bestuiven over voor de bloei aanvangt of wel gedurende den bloeitijd.
Het is de vraag of een zoo vroegtijdig gebruik maken van de bestrijdingsmiddelen tegen de rupsen beslist noodzakelijk is. Niet ieder jaar vangen de schadelijke insekten even vroeg in de lente haar vernielingswerk aan; en zoo kan het zijn, dat met het oog op hunne bestrijding het eene jaar de bespuiting iets vroeger zou kunnen beginnen dan het andere.
Toch zouden wij aan de bessentelers in overweging willen geven, indien eenigszins mogelijk, hunne bespuitingen en bestuivingen van kruisbessenstruiken tot even na den bloeitijd uit te stellen. Het is n.l. door ondervindingen, zoowel hier te lande als elders opgedaan, bewezen, dat er soms tengevolge van de bespuiting met Bordeauxsche pap of met Parijsch groen, naar 't schijnt, ook wel tengevolge van de bestuiving met insektenpoeder, schade aan de bijenhouderij wordt toegebracht, doordat de bijen van de vergiftige middelen, die zijn aangewend, opnemen.
In ons land is zoodanige schade aan den bijenstand slechts enkele malen voorgekomen, en wel steeds wanneer kruisbessenstruiken voor of gedurende den bloeitijd werden bespoten; de bouw van de bloemen der zwarte, roode en witte bessen en ook die van de bloemen der ooftboomen is zoodanig, dat de bijen bij het opnemen van honig en stuifmeel uit deze bloemen niet vergiftigd worden.
De schade, door bespuitings- en bestuivingsmiddelen aan de bijenteelt toegebracht, komt niet alleen ten nadeele van den bijenhouder, maar eveneens ten nadeele van den fruitkweeker. Want de bijen zijn ook voor dezen onmisbaar, wil zij de bevruchting der bloemen van ooft- en besvruchten bewerken. Zonder de bijen grijpt geene of onvoldoende bevruchting der bloemen plaats, en blijft kruisbestuiving uit. En de bijenhouders, bang geworden door eenige gevallen van schade aan den bijenstand veroorzaakt door het gebruik van besproeiingsmiddelen, gaan meer en meer angstvallig de streken, waar gesproeid wordt, vermijden.
Hier komen dus twee groote belangen van den ooftbouw met elkaar in botsing, n.l. het bestrijden van schadelijke insekten en het bevruchten van de bloesems der ooftboomen en bessenstruiken door bijen.
Daarom is het voor den ooftteler zoowel als voor dien bijenhouder van het grootste belang, dat nauwkeurig nagegaan worde, welke omstandigheden en beproeiingsmiddelen in ootftboomgaarden en bessentuinen voor de bijenteelt gevaar kunnen opleveren. Uit dien hoofde verzoeken ondergeteekenden beleefd maar dringend, dat in de streken, waar bespuitings- en bestuivingsmiddelen worden gebruikt, ieder geval, waarin nadeel aan de bijenteelt schijnt te zijn teweeggebracht, zoo spoedig mogelijk aan een van ons worde meegedeeld, onder opgave van den tijd wanneer, en van de middelen waarmee gespoten is; alsook van de soort van struiken, die bespoten zijn.
Wij hopen dan een onderzoek in te stellen, waarbij — zoo noodig — de Rijksseruminrichting ons behulpzaam wil zijn; opdat worde vastgesteld, onder welke omstandigheden bespuitingen gevaar kunnen opleveren voor de bijenhouderij, en onder welke omstandigheden niet.
Inmiddels geven wij alvast een raad aan de oofttelers en een raad aan de bijenhouders; en wij meenen te mogen verwachten, dat, wanneer aan beide kanten onze raadgeving wordt opgevolgd, de kans, dat er vergiftiging van bijen door besproeiingsmiddelen zal plaats grijpen, tot een minimum zal worden beperkt.
Onze raad aan de fruitkweekers luidt: Bespuit uw kruisbessenstruiken, als 't eenigszins anders kan, niet voor de bloeitijd over is (zie boven)!
Onze raad aan de bijenhouders luidt: Wanneer gij met uwe bijen komt in eene streek, waar met Bordeauxsche pap of met Parijsch groen wordt bespoten, zorgt dan voor eene goed beschutte drinkplaats voor de bijen. Mengt, ten einde dezen dieren te leeren spoedig de drankgelegenheid te vinden, gedurende de eerste dagen wat honig door het drinkwater. En laat op dat drinkwater wat strootjes, schijfjes kurk, veenmos of oude raten drijven, opdat de bijen daarop kunnen gaan zitten, en geen gevaar loopen te verdrinken. Wanneer men de bijen eene goede drinkgelegenheid verschaft, wordt het gevaar weggenomen, dat zij in droge tijden haren dorst zouden gaan lesschen met vergifthoudende vloeistoffen.
Wageningen, 2 Maart 1916.
L. VAN GIERSBERGEN,
Leeraar voor Bijenteelt;
Prof. Dr. J. RITZEMA BOS,
Directeur van het Instituut voor Phytopathologie.