Bijen en Sneeuw.

Heerlen, den 25 Maart 1916.

Mijnh. de Redacteur!
Wil zoo vriendelijk zijn het onderstaande in het Maandblad op te nemen; bij voorbaat mijn beleefden dank.

Het is mij opgevallen, dat ook heden ten dage nog de welbekende spreuk der oude-voorvaderen-imkers op ons bijenteeltbedrijf toepasselijk is. Deze spreuk was n.l.: “Wie met veurdeel wil houwen bieën, die moet houwen goede bieën en korte rieën, en de vlieggaten sluiten als 't gaat snieën!!”

Dit spreukje, het mag wel een gouden spreukje geheeten worden, heeft mij de laatste dagen in het einde der maand Maart 1916 de waarheid in praktijk aangetoond.
Wie met voordeel wil houden “bijen”, moet houden goede opzetters, d.w.z. vóór den winter flink opgevoederde volken, zoodat vóór begin April hoegenaamd geene voedering behoeft te worden toegepast en verder korte rijen, d.w.z. liever een klein aantal goede volken te bezitten, dan een uitgebreiden stand spullen, die in het voorjaar lichter zijn dan een veer.

De groote waarde van het sluiten der vlieggaten, als het sneeuwen gaat, is hierin gelegen, dat mocht er vóórdat dit gebeurt, reeds gevoederd zijn, de bijen ook bij sneeuw uitvliegen. Zoo was ik in den middag van 24 Maart j.l. tegen 2 uur op mijn bijenstand en bemerkte reeds gegons en gebrom van in de sneeuw spartelende bijen.
Bij onderzoek bleek mij, dat honderden bijen reeds waren uitgevlogen, door mij werden ze opgeraapt en onder glas verwarmd. Ze hadden deels door de z.g. verkouding reeds haar dood gevonden. Op een in Heerlen staanden bijenstand van een anderen imker, heb ik hetzelfde ontdekt door toevallige omstandigheden, d.w.z. bij het rollen van sneeuw, waarin een massa bijen lagen, die ik had zien uitvliegen en verblind geworden in de koude sneeuw terecht kwamen.

Niettegenstaande mijne 10 volken half Maart bij eene door mij ingestelde revisie over den toestand en hunne al of niet goede of slechte overwintering gunstige verschijnselen aan den dag legden, veel voeder aanwezig was en den volken niets mankeerde, schrijf ik een slappe vlucht tijdens de goede vliegdagen toe aan het ontzaglijk volkverlies, om welke reden ik alle bij de Vereeniging ter bevordering der Bijenteelt in Nederland aangesloten leden met nadruk op het hart druk, bij nakomende sneeuwbuien in Maart en bij z.g. Aprilsche sneeuwgrillen 's morgens reeds heel vroeg de vliegluiken te sluiten en deze niet te openen, dan nadat alle sneeuw geheel versmolten is.

Het sluiten der vlieggaten moet geschieden met maasdraad en niet met een dakpan; de kasten met de schuif. Wat de korven betreft zoo heb ik op mijn bijenkorvenstand ontdekt, dat deze, zelfs al is hij door een hard linnen grijs gordijn afgesloten, de bijen toch op de vliegplankjes, die ik aan de korven heb aangebracht, buiten zaten, en met tusschenpoozen de een na de andere zich tusschen reten door, naar buiten werkten, met het bekende noodlottige gevolg.

Mij dunkt, dat voor het heele voorjaar het rijke succes der bijenvolken alleen in het in den aanhef van dit artikeltje staande spreukje ligt opgesloten en ieder imker, wanneer hij mijne raadgevingen opvolgt, het raadsel van een slechten vooruitgang zijner volken in de beste honigseisoens van het voorjaar hierdoor opgelost zal vinden.

K.H. L., HEERLEN.