BUITENLAND.
Bijenteelt te Portorico door E.F. Philips.
Philips vertelt daarin van de toestanden op Portorico naar ondervindingen op waarnemings-stations aldaar. Portorico is een der West-Indische eilanden van Zuid-Amerika. Vóór de bezetting van Portorico door de Amerikanen was eigenlijke bijenteelt aldaar onbekend. Wel oogste men honig van in 't wild levende zwermen, oorspronkelijk ingevoerd door de Spanjaarden.
In 1908 werden vijf Italiaansche zwermen ingevoerd en daarmede begon de eigenlijke bijenteelt. De bijen vermenigvuldigden zoo snel, dat deze vijf thans wel tot eenige duizenden zwermen zijn vermeerderd.
De teelt wordt grootendeels in 't bergachtige westen, vooral bij Maganguez, gedreven, Er zijn bedrijven van 200—300, zelfs van 500 volken. Behalve enkele bijen van 't Cyprische en Krainer, zijn 't meest bijen van 't Italiaansche ras. 't Cyprische ras wil trouwens over 't algemeen niet in Amerika. 't Meest wordt geimkerd met de 10-ramige Langstroth-kast, met één of twee sectie-opzetters door 't rooster van de broedruimte gescheiden.
De bijen verzamelen bijna 't heele jaar, met één zwerm heeft men 't wel tot een jaar-opbrengst van 226 K.G. gebracht, gemiddeld 136 K.G. slingerhonig per zwerm. Men oogst natuurlijk meerdere malen.
Vuilbroed is op Portorico onbekend. Om zich tegen deze ziekte te beschermen is op 5 Sept. 1910 een wet uitgevaardigd, die den invoer van zwermen, eieren, larven, enz., verbiedt, en slechts die van koninginnen met hoogstens 30 geleidebijen toegestaan; de ingevoerde bijen worden aan den invoerhaven eerst onderzocht. Daar vuilbroed eerder door den honig dan door den bijenhandel wordt verbreid, heeft men er een wetsontwerp in voorbereiding, waarbij honinginvoer wordt verboden, als niet bewezen kan worden, dat deze van gezonde volken afkomstig is.
De uitvoer van honig uit Portorico, had in de laatste vijf jaren, van 1909—1914, een waarde van pl.m. 250000 gulden. De moeilijkheid van 't terrein en de slechte verkeerswegen beletten de uitbreiding. Als honigplanten doen vooral dienst de dekplanten voor de koffieaanplantingen. Bijenteelt vindt men dus vooral in de koffiecultures.
De Fransche Consul bericht uit Japan in L'Apiculteur overPlanten was uit Japan
het volgende:
De industrie van plantenwas is in Japan van ouden datum, maar tot voor korten tijd werd er slechts bereid, wat voor 't land noodig was; sedert enkele jaren, dat dit product in Europa en Amerika meer bekend is geworden, is 't een belangrijk uitvoerartikel geworden. Het behoort tot de beste der plantaardige wassoorten.
In tegenstelling met was uit China, oneigenlijk genoemd: plantenwas van China, dat een product van een insect is, de cicada limbata of coccas pelfla, dat op verschillende boomsoorten leeft, en vooral op Rhus succedaneum, de Ligustrum japonicum, de Hibiscus syriscus enz., waarop het door de Chineezen wordt verzameld, is het Japansche was werkelijk van plantaardigen oorsprong, zijnde het product van de vrucht van den wasboom, in Japan bekend als Haze No Kri, die niets anders is dan Rhus succedaneum. Daar in China op dezen boom het was wordt verzameld van de cicada limbata, worden deze twee producten vaak onderling verward.
In de 18de eeuw heeft men beproefd was voortbrengende insecten van uit China in te voeren, maar de resultaten waren nooit zoo, dat van een eigenlijke teelt sprake kon zijn. Wel voegen de Japaneezen, zonder dat ze zelf de afkomst er van kennen de eitjes der cicada limbata aan de vruchten toe, om er was uit te trekken.
De wasboom (Rhus succedaneum) komt in Zuid- en midden Japan veelvuldig verspreid voor. In 't groot wordt hij slechts in enkele streken gecultiveerd vooral in Kynshu, dat is in de vallei der Chikago Gawa. De wasboom wordt gemiddeld 5 à 6 M. hoog. Het blad is donker groen en zonder glans, de bladeren blijven tot aan den herfst zitten, dan zijn de vruchten (in October) rijp, die men nog laat hangen om een begin van ontbinding te krijgen, welke gunstig is om het was uit te trekken.
Twee-jarige wildstammen worden gegriffeld en vijf-jarige boomen beginnen vruchten voort te brengen, dan geeft één boom gemiddeld 30 K.G. vruchten, wat met de jaren toeneemt tot 100 K.G.
De boom houdt van vochtigen maar geen natten grond, vooral groeit hij goed langs beken. De boom bloeit in April, in October zijn de vruchten rijp, eerst is de kleur grijsgroen, later donker violet.
Het oogsten duurt van af October tot Februari. Het uittrekken heeft den geheelen winter door plaats.
Het uittrekken van het was uit de vruchten geschiedt slechts door enkele maatschappijen, die de vruchten van de boeren opkoopen, of de ongezuiverde wasbrooden, die de boeren zelf door uitpersen der vruchten verkrijgen. Deze maatschappijen bewerken het was op verschillende kwaliteiten. De eerste soort is zeer blank en is moeilijk van het bijenwas te onderscheiden.
De gemiddelde prijs der vruchten is 2 à 2.5 Yen (1 Yen = f 2.50) per 10 Kin (ongeveer 80 K.G.) waaruit pl.m. 10 K.G. ruwe was wordt verkregen.
Het uittrekken van het was geschiedt door de boeren op zeer oorspronkelijke manier. Eerst worden de vruchten gebroken, dan met kokend water overgoten, geperst en tot brooden gevormd.