Hoe groot is de honigproductie in ons land ?


Dezer dagen werd mij de vraag ter oplossing gegeven, hoe groot de gemiddelde wasproductie in ons land wel zou zijn.
Ik moet bekennen, dat ik niet in staat ben daarop een antwoord te kunnen geven, dat aanspraak maakt op juistheid.
Dat is toch een fout, dat we zoo weinig afweten van den omvang van 't bedrijf. Daarom stelden wij indertijd de vraag door middel der verslagen, daarmede beter op de hoogte te komen, maar we zijn er niet verder mee gekomen. In 't verslag over 1915 lees ik onder aantal opzetters: evenals 't vorig jaar zijn de gegevens te onvoltallig, om bij benadering 't aantal opzetters te vermelden.

Wat hebben nu de afd. eraan, die daarvoor wel moeite deden? Dit werkt verlammend op 't initiatief der Secretarissen, die er wel wat voor voelden om de gestelde vragen juist te beantwoorden.

't Opmaken van 't verplichte verslag wordt tot een sinecure gemaakt, men maakt er zich maar gauw even van af! Het wordt één groote dommelpartij, waaruit men ontwaakt tegen dat er suiker moet wezen. Maar de vraag was naar de grootte der wasproductie in ons land?
Nu vind ik daarover in 't Maandschrift van 1912, pag. 205, dat volgens de veetelling van 1910, er in ons land waren : 69406 stuks volken, waarvan 57945 in vasten en 8548 in lossen bouw. De honigcommissie, van wie dit stuk afkomstig is, meent dat die opgave niet als volledig moet worden beschouwd, maar voor 1912 veilig op meer dan 100000 moet worden gesteld. De verhouding van vasten en lossen bouw stellende van l op 6, komt men tot 85714 volken in vasten en 14286 in lossen bouw. Gerekend dat ieder volk twee zwermen geeft, 't aantal opzetters gelijk blijft en ieder volk, dat geslacht wordt gemiddeld 10 K.G. ruwen honig geeft, dan komt men tot 1,714,280 K.G.

De lezer kan nu opmaken, wat voor een houvast men heeft aan zooveel veronderstellingen en dat is 't nu, wat we van den opbrengst afweten. 't Zelfde betreft de hoeveelheid honig uit lossen bouw. Bij de opbrengst hiervan wordt uitgegaan van de veronderstelde 14286 volken, die zouden gemiddeld aan raat- plus slingerhonig 214290 K.G. tafelhonig leveren, waarbij dan nog 30000 K.G. komt uit vasten bouw. Totaalproductie is dus 244290 K.G.
Tot zoover 't rapport der honigcommissie.

Nemen we nu aan, dat de losse bouw geen was levert en dat 5% van den ruwen honig tot was wordt, dan zou volgens deze opgaven de jaarlijksche wasopbrengst 85714 K.G. bedragen.
Dit jaar is door één combinatie van handelaren 200000 K.G. honig opgekocht. Deze, moet men aannemen, zullen wel iets afweten van de totaal productie, omdat ze deze 200000 K.G. door 't heele land heen opkochten. Door een der leden van deze combinatie werd de totaal hoeveelheid ruwe honig, die dit jaar is geproduceerd, op 800000 K.G. geschat.

Nu was dit jaar de honigopbrengst niet overvloedig. Toch waren er in Limburg en Brabant volken met een bruto gewicht van 70 halve kilo's, in 't Noorden ging 't gewoonlijk niet boven 50 halve kilo's. Er is dus reden om te veronderstellen, dat de gemiddelde opbrengst aan ruwen honig in ons land jaarlijks 1,200,000 K.G. bedraagt en daaruit leid ik dan een gemiddelde wasopbrengst af van 60000 K.G.
Wie over betere gegevens beschikt, moge zijn wetenschap in 't Maandschrift kond doen.

H. Stienstra.