VRAAGBAAK.


Vraag 1. Ik heb drie volken, twee lossen en een vasten bouw. Deze volken hadden midden October ieder 22 pond honig als wintervoeding. Zoo vroeg mogelijk wilde ik nu de zwermen laten afvliegen. Bij middelmatig weder wordt hier einde Maart tot midden April tamelijk veel stuifmeel opgehaald. Vervolgens tot half Mei veel stuifmeel en een weinig honig, daarna tot einde Juni voldoende stuifmeel. Wat is nu de beste behandeling, om zoo vroeg mogelijk zwermen te hebben. Hoeveel en hoe dikwijls per week zoude ik met goeden honig dienen te voeren?
S.J. te R.

Antwoord. Daar uw volken met voldoenden honigvoorraad zijn opgezet, kunt u drijfvoedering toepassen.
Drijfvoedering w.z. door 't geven van voer de koningin tot eierlage prikkelen.
Het voer moet stuifmeelrijke honig zijn en wordt warm en met water verdund, onder het volk geplaatst. Niet te beginnen voor half April. Omdat, eenmaal begonnen, moet worden doorgezet. Begint men te vroeg, dan zullen koude dagen zeer tegenwerken en die koude dagen hebben wij steeds te wachten. Uw bedoeling is vroeg zwermen, anders begint men drijfvoedering eerst plm. zes weken vóór de hoofddracht.
Om den anderen avond plm. 1/10 liter met warm water verdunden honig. Na eenigen tijd de hoeveelheid wat grooter of elken dag voeren.


Vraag 2. Wat is eigenlijk het rijpen van den honig?
W.M. te W.

Antwoord. Men zegt vaak de bijen halen honig. Dat moet wezen: de bijen halen nectar. Nectar is 't vocht, dat meest tusschen de bloemdeelen uit kliertjes, nectariën, wordt uitgescheiden. Deze nectar is zeer uiteenloopend in samenstelling. Zoo vond men, dat de nectar van Keizerskroon 93.76 pct. water bevatte en die van Poinsettia pulcherrima 30.98 pct.

Honig van de Keizerskroon bevatte 15 tot 24 pct. water. Vrager zal nu wel begrijpen, dat, als de bij met den nectar thuisgekomen, die dan reeds een verandering heeft ondergaan, deze in de honigcellen uitstort er heel wat water uit verdwijnen moet. Vrager zal 't ook wel bekend zijn, als 's avonds na een drachtdag een raat met honig met de opene cellen naar beneden wordt gehouden, de honig er gemakkelijk uitloopt. Zulke honig is dan nog niet rijp en bevat nog veel te veel water. Het rijpen bestaat dus in hoofdzaak in 't verminderen van 't watergehalte. Is eindelijk de honig rijp, dan wordt hij verzegeld.

Bij 't slingeren wacht men gewoonlijk nooit zoo lang, dat alle honig verzegeld is. Zoodoende is de geslingerde honig dan nog niet rijp. Daarom het narijpen.
Als de honig gezeefd is zet men ze in een cylindervormig vat, beneden van een uitloop voorzien. In dit vat blijft de honig minstens drie dagen staan bij een temperatuur van 25—28° C. De dunne, dus onrijpe honig, komt dan boven. Daarna brengt men den honig door 't openen van de kraan in flacons over tot zoolang de onrijpe honig komt. Die niet in de flacons komt, want honig met te veel water verzuurt gemakkelijk. Is de honig eenmaal in de flacons en de aanwezige lucht ontweken, dan worden ze gesloten, om te voorkomen, dat weer water uit de lucht wordt opgenomen.


Vraag 3. Ik heb twee kasten (10 ramen), waarvan de honigkamers bijna nooit gebruikt worden, daar het hier uitsluitend late dracht is. De raampjes hiervan zijn plm. 12 cM. hoog. Zou ik zulk een honigkamer kunnen gebruiken, om er een aparte kast van te maken, met zoo noodig de tweede als honigkamer er boven op. En dan verder in de broedkamers een 3 of 4-tal ramen afscheiden met koninginneroosters ?
W.M. te W.

Antwoord. Bedoelt u van twee boven elkander geplaatste honigkamers één broedruimte te maken en dan eenige raampjes op zij voor honigruimte te doen dienen? Als dat de meening is, dan kan dat wel, maar of 't nu zoo voordeelig is daarvoor de honigkamers te bezigen, is iets anders.
In een streek met late dracht is om den honing, die moeilijk te slingeren is, het zich toeleggen op 't verkrijgen van honing in de raat aangewezen. Dit lukt al wat beter, als er althans een weinig zomerdracht is, zoodat dan reeds begonnen wordt met 't bouwen van raat. De voornaamste voorwaarde is sterke volken. Het lukt dan ook slechts in jaren van goede dracht en meestal alleen bij volken, die niet zwermden. In gunstige gevallen bij vroege zwermen, en door kunstmatige versterking.


Vraag 4. Ik ben in 't bezit gekomen van het boek „Imkeren", door C.H.J. Raad. Schrijver geeft hierin een mooie beschrijving van een kast, om die zelf te fabriceeren. Over bedoeld systeem las ik nooit iets in 't Maandschrift. Wie der collega imkers wil mij zijn bevindingen over deze kast mededeelen.
L.C. te H.

Antwoord. Het boek van Raad is niet in mijn bezit; we willen deze vraag dus in de belangstelling der lezers aanbevelen.
H. Stienstra.


Vraag 5. Ik bezit een pond of acht van de minste soort raathonig uit korven gesneden. De raat is dik en oud; de hoeveelheid stuifmeel is beduidend. Ik heb die terzijde gelegd om als voorjaarsvoer te geven. Op welke wijze kan ik die nu 't beste toedienen?
P.H. te d.H.

Antwoord. Dit soort honig is de beste voor drijfvoer. Was ze uitgeperst, dan kan ze verdund worden gegeven te beginnen zes weken vóór er bij U een hoofddracht is, om dan veel vliegbijen te hebben. Zie vraag 1.
Misschien dat u niet kunt persen. Dan kunt u de raat onder 't volk leggen, telkens bij stukken. Daarmede wordt 't volk ook aangedreven. De ledige raat kunt u daarna op zuivere was verwerken, door ze in een linnen zakje onder water te haken. Het was komt dan bovendrijven, vooral als op 't zakje wordt gedrukt, en kan worden afgeschept.