INGEZONDEN.


Geachte Heer Redacteur.
Het is een moeizame arbeid te schrijven over wetenschappelijke onderwerpen in populairen vorm, zóó, dat niet-ingewijden een goeden kijk op de dingen krijgen en toch ook weer met de wetenschap behoorlijk rekenschap wordt gehouden. Zoo dachten we bij 't lezen der boekbespreking over de Wonderen van het Bijenvolk in 't Maandschrift.

Het was een goede gedachte, enkele gedeelten uit het werk over te nemen, opdat de lezer zelf eenigszins kon oordeelen.
Zoo lezen we onder anderen: „Wie ooit stuifmeel reuzen-vergroot zag, weet hoe levend stuifmeel draait en wendt en schiet door 't water." Wij zochten in 't boek zelf naar een nadere omschrijving, maar dit hoogst interessant geval wordt niet verder behandeld.
Oordeelde de schrijver dat hij te ver afdwaalde? Waarom dan de boeken niet opgegeven, waaruit hij zijne gegevens putte? Welk een gerief zou dat zijn geweest voor den lezer, die wat méér wilde weten over dat onderwerp. Want meer dingen zijn er toch, die nu verwarring stichten.

Waarom wordt gebruik gemaakt van plaat I der „Anatomy of the Honey Bee", waarbij vier hartkamers zijn aangegeven, terwijl volgens den schrijver het bijenhart er vijf heeft. Die andere primitieve teekening heeft toch misschien alleen oudheidkundige waarde. Waarom wordt geschreven bij de plaat: „Ook ziet ge fraai de stevige vliezen, waaraan de luchtzakken zijn opgehangen." Door deze hoogst oppervlakkige beschouwing wordt een totaal verkeerden indruk gegeven van de taak dier vliezen, die een werkzaam aandeel hebben bij 't voortstuwen van 't bloed, dat niet door 't bijenlichaam „zijgt als thee door een klontje suiker", zooals de schrijver vertelt.

Meerdere opmerkingen zouden wij kunnen maken.
Hoe komt bijv. de schrijver er toe, de geslachtscellen van den dar te vergelijken met jonge kikkerlarfjes, en wat te denken van de bijgevoegde afbeelding? Nog eens: waarom deed de schrijver geen opgave van de boeken, die hij raadpleegde? De wetenschap ware er niet door geschaad, integendeel.

Wij hebben ons bepaald tot enkele opmerkingen, hoofdzakelijk het ontleedkundig gedeelte rakende en men zal ons wel ten goede willen houden, dat wij de geestdrift der criticus in 't Maandschrift niet kunnen deelen. Het boek moge geschreven zijn op populaire wijze, men verlieze niet uit 't oog, dat voor den prijs (die niet populair is), ook de eischen gesteld kunnen worden naar evenredigheid.

Hoogachtend,
Uw dn. V. BING.


The Anatomy of the Honey Bee, in Amerika in 1910 uitgegeven door het Departement van Landbouw, is samengesteld door mannen der wetenschap, die uitsluitend tot taak hebben insecten te ontleden. De ruim vijftig afbeeldingen zijn geteekend naar hun onderzoekingen en dus origineel. 't Geheel getuigt van ernstigen arbeid.
F.C. van Brussel.


Wellicht, dat Dr. Ootmar, bij lezing van deze critiek, de opmerkingen zal willen beantwoorden. Alleen tegen 't laatste, ik zou haast zeggen de conclusie, moet ik opkomen.
Bij vergelijking van wat in dit boek staat, juist over de anatomy van 't bijenlichaam, met andere boeken van gelijke grootte en richting, is dit deel juist goed behandeld. Het boek is, vooral met 't oog op de tegenwoordige omstandigheden, evenzeer in vergelijking met overeenkomstige boeken, niet duur.

Dat schrijver den populairen vorm koos, is juist gezien. In ons land is de ymkerij nog niet zoo ver gevorderd, dat een boek, in den wetenschappelijken vorm, debiet zou hebben. Dit boek kan daartoe aanleiding geven.

Het boek „Wonderen van het Bijenvolk" verdient in 't bezit te komen van iederen ymker, die wat geld over heeft zich in de theorie te bekwamen. Het boek is zoo geschreven, dat, bij eenige ontwikkeling, het is te begrijpen. Het ademt op iedere bladzijde liefde voor de bijenteelt. Ik acht het een voorrecht voor onze ymkerij, dat dit boek verscheen en zoo denken ook, volgens de beoordeelingen in andere bladen, anderen, die tot oordeelen bevoegd zijn, daarover.