INGEZONDEN


Velseroord (N.-Holland), 22 Januari 1917.

Geachte Redactie !

Vergun mij een antwoord te zenden op het schrijven van den heer C.J. Zebinder Baggerman. Bij voorbaat mijn dank.
Den heer Z. kan ik melden dat het mij hoogst aangenaam is dat er eindelijk eens een zakelijke mededeeling komt tegen de H.K. (Handelskamer). In de eerste plaats geeft mij dit gelegenheid te antwoorden, maar bovendien een en ander mede te deelen wat misschien niet algemeen bekend is. Vroeger heeft men ook wel eens een en ander tegen de H.K. geuit, doch op verzoek heb ik er het zwijgen toegedaan. Aan dat verzoek zal ik mij nu niet meer houden, daar ik het beter vind te spreken.

Indertijd heb ik mij bereid verklaard als directeur voor de H.K. op te treden, totdat men iemand zou hebben gevonden, die er beter geschikt voor was en er zich eventueel aan zou kunnen geven. Ik heb getracht mijn werk te doen zooals het moest en had ook betrekkelijk aardige resultaten, niettegenstaande de tegenwerking van vele leden, die, indien ik aan A., B. of C. honig kon verkoopen, niet nalieten te trachten dit aan diezelfde afnemers buiten de H.K. om te doen.

Waar imperatief is voorgeschreven, dat naar het buitenland door de H.K. geleverd moet worden, grensdistricten uitgezonderd, niemand hield er zich aan, ook niet de afd. Dedemsvaart. Niet dat dit die afd. kwalijk genomen kan worden, in geen geval, want er staat geen prestatie tegenover van de H.K., maar ter illustratie deel ik het mede, om eens te laten zien hoe de medewerking is.

De H.K. heeft getracht het uitvoerverbod op honig te voorkomen, maar schrijver werd door de autoriteiten aangezien als iemand, die als oorlogsfirma een voordeeltje er uit trachtte te slaan, daar de statuten der H.K. tot heden nog niet zijn goedgekeurd. Zelfs in mijne eigen zaken werkte dit zoo belemmerend, dat ik voor andere artikelen de medewerking der autoriteiten ook miste.

Waar het Hoofdbestuur der Vereeniging ter bevordering van Bijenteelt in Nederland adviseerde om den uitvoer van honig te verbieden en ik het tegengestelde deed ten name van een officieel niet bestaande H.K., zal men wel willen gelooven, dat ik daar niet veel succes kon verwachten.

Te waarschuwen dat de prijzen van was opliepen, was niet mogelijk, daar dit eerst gebeurde, toen er niets meer te krijgen was en alles reeds in handen van opkoopers was. Te meer had het geen zin, daar ik reeds in Maart 1916 mijn ontslag heb genomen als Directeur der H.K. en mij dit per l Mei 1916 is verleend. Ik heb toen wel op mij genomen de zaken af te wikkelen, maar wenschte in geen geval nieuwe aan te vatten, daar ik niet wist wat het bestuur der H.K. wenschte. Ik heb ook sedert de jaarvergadering op 23 Aug. 1915 geen bestuursleden gesproken, met uitzondering van den voorzitter, die een en ander hier eens kwam controleeren.
De Secretaris, die als technisch adviseur naast mij moest werken en in Augustus 1914 reeds bij mij zou komen om een en ander te overleggen, is tot heden, bijna dertig maanden later, nog niet hier geweest.

In een der bestuursvergaderingen van de H. K. was o.m. besloten reizigers aan te stellen om den verkoop te vergrooten. Ik heb toen eene overeenkomst gesloten met den heer Mulder uit Ede. Ik ben daar geweest en heb een en ander besproken. Om evenwel met het produceeren van honig beter op de hoogte te komen heb ik hem toen aangeraden de Zeemery te Bennekom eens te bezoeken en daar zich te laten inlichten. Wat blijkt nu later? Voor mij heeft de heer Mulder niets verkocht, maar wel . . . voor de zeemeerij te Bennekom. Dat noemt men samenwerking.

Eenmaal is de H.K. belast geweest met het denatureeren van suiker. Ik heb mij er zeer veel moeite voor gegeven. Niettegenstaande dit en de afspraak dat wij dit het volgende jaren ook zouden doen, heeft het H.B. dit werk ons niet overgelaten, maar wat ik wel bemerkte was dat de secretaris van het H.B. met de Handelskamer concurreerde door den verkoop van buitenlandschen honig. Voor den vorm werd het gedaan op naam zijner vrouw, maar ieder kan er verder over oordeelen. Ik heb zelf getracht offerten te krijgen en heb ze ook gekregen. De bewijzen kan ik overleggen. Dat noemt men samenwerking.

Op last van het bestuur der H.K. kocht ik indertijd glazen. Een der leden van datzelfde bestuur schrijft later in uw blad een artikel tegen dat glas. Ook dit wordt samenwerking genoemd.
Op 23 Aug. 1915 werd besloten mij mijne voorschotten terug te betalen. Om verschillende redenen, buiten den wil van onzen voorzitter, is dit nog niet gebeurd. Ik weiger verder geld voor te schieten en nu ik dit weiger, nu maakt men aanmerkingen via het bestuur, dat men zoo lang moet wachten, niettegenstaande de levering, waarop ik nu doel, niet was overeenkomstig bestelling en 90% betaald is.

Een ander meent recht te hebben op overprijs door de H.K. gemaakt, op een artikel bij hem gekocht. Om dit te verkrijgen, worden zelfs cijfers in brieven veranderd en .... men klaagt over samenwerking.

Volkomen ben ik het met den heer Z.B. eens dat het noodig is iemand te hebben die den geheelen dag, van l Jan tot 31 Dec., aan de H.K. kan geven, maar bewaar hem dan s v.p. voor de samenwerking, die ik tot heden heb ondervonden.

Hoogachtend,
RICHARDS.