INGEZONDEN
Oude meeningen.
Volgens Dr. Ootmars „Wonderen v.h. Bijenleven", werd door Zwammerdam omstreeks 1650 ontdekt dat de hoofdpersoon in het bijenvolk geen Koning, doch eene Koningin was.
Eigenaardig en misschien tevens interessant is de mededeeling, dat in „Het Woordenboek der enkele drogerijen" van N. Lemery, uitgegeven te Rotterdam, Anno 1747, hierover het volgende gezegd wordt:
Apis — in 't Fransch: Mouche à miel of abeille of Avette (deze laetste naem is alleen aen de kleene gegeven), in 't Nederduisch: Honigbije, bije, is eene soort van vliege, die honig en wasch maekt.
Men gelooft dat haer naem hier van daen komt, dat ze geene pootjes schijnt te hebben, omdat ze als men ze vat, dezelve bijeentrekt en zoowel verbergt tegen haren buik, dat men ze er nauwelijks van kan afscheiden. Zij heeft vier vleugels en eene lange tong, die doorgaens buiten haren bek steekt. De tanden zijn kleen en haer angel is aen haeren buik vastgehecht. De ouden meenden, dat ze haer oorsprong hadden uit een dooden stier en leeuw, namenlijk dat deze dieren verrottende in Bijen verandert werden; maer de proeven, die velen omtrent dit onderwerp genomen hebben, met stieren en leeuwen te laten verrotten, hebben doen zien, dat dit gevoelen niet dan eene Dichters inbeelding was.
Verder nog: De oorsprong der bijen komt van een weinig zaed of wit stremsel, dat men vind op den grond van de kleene polletjes der honigraten, dat door de natuurlijke warmte der Bijen verandert in eene soort van witten worm, die in den tijd van eene maend een vlieg wordt.
De groote Bije, die de Koning genaemt wordt, omdat de anderen hem vergezelschappen en volgen is een mannetje, dat bekwaem is eene meenigte van wijfjes te voorzien, eveneens als een stier genoeg is voor alle de koeijen van een dorp.
Deze Honigbije is grooter dan de andere, maer heeft korter vleugels en een roodachtige kleur, in plaatse dat de andere bruiner zijn.
Sommige ontleders willen, dat hij een wijfje zij.
Eigenaardig is het dat honderd jaar, na Zwammerdams ontdekking, in een bij uitstek wetenschappelijk werk, het Koning zijn op den voorgrond geplaatst, dus als het meest waarschijnlijk aangenomen wordt.
Van de was wordt o.a. gezegd, dat ze haar beginnen te maeken in de Lente: Zij haelen ze van de bloemen en draegen ze van aen hare achterste pootjes.
Jb. L.H.
Bijschrift Red. Men ziet hieraan, welke dwaze denkbeelden vroeger al niet bestonden over de bijen. Oorzaak daarvan was onwetendheid. Nog is er veel ontwetendheid en daardoor ook veel dwaze voorstelling.