INGEZONDEN

Haarlem, Februari 1917.

Mijnheer de Redacteur !

Met eenige ontstemming nam ik kennis van het m.i. weinig zeggende artikel van den heer Bing over het werk van Dr. Ootmar.Ik behoef voor Dr. O. geen lans te breken, hetgeen ook niet mijne bedoeling is, ik wensch zelfs, dat Z.Ed. geen nota neemt van het stukje van den heer Bing; mij geeft het echter aanleiding er iets over te schrijven.

Wat dan het bewuste boek van Dr. O. betreft, na lezing en herlezing kwam ik tot de conclusie, en anderen met wien ik er over confereerde, dat het jammer was dat een dergelijk werk reeds niet jaren eerder was verschenen.
Al de vroegere kleine handleidingen over bijenteelt, voor en na in Holland uitgekomen, oogenschijnlijk wel aardig, zinken bij het werk van Dr. O. in het niet. Het is een populair werk en toch wetenschappelijk, waaraan de bijenhouders met eenige ontwikkeling meer hebben dan aan een dozijn andere werken op dat gebied.

„Het boek" over die wonderlijke dierkens, waarover Leeuwenhoek reeds met eerbied sprak, is thans daar. Mijnheer de Redacteur, laat ik eindigen, en schrijver van het ingezonden stuk zou ik de vraag willen stellen:
„Wat hebt U alzoo geschreven over bijen?", want ach, critiek is zoo goedkoop, men denke slechts aan het oude spreekwoord: „De beste stuurlui staan aan wal".

Hoogachtend,
Het lid van de Afdeeling Haarlem en Omstr.
G.A. BRONGERS.


Hiermede is deze gedachtenwisseling gesloten.
Red.