De heidevelden op de Veluwe.
Een imker van de Veluwe doet ons 't volgende toekomen: Kwamen de bijenvolken ook in deze streken, tengevolge van 't buitengewoon gure weer in de maanden Maart en April, zeer laat tot ontwikkeling, sedertdien ging alles naar wensch. Dank zij 't daarna ingetreden mooie zomerweer was er geregeld door volop honigsap in bloemen en bloesems aanwezig en lieten, zooals te begrijpen is, onze ijverige bijtjes zich niet onbetuigd. Alleen uit de bloesems der boekweit hebben ze heel weinig nectar kunnen verzamelen; de bodem was, tijdens den bloei van dit zomergewas, veel te droog.
We hebben nu nog alle verwachting van de heidestruikjes, welke door de overvloedige regens der laatste dagen geheel zijn opgefleurd, want ook deze hadden hier en daar al geducht door de droogte geleden.
Bijenhouders, die hunne volken tot heden nog niet naar de heidevelden hebben gebracht, dienen zich te haasten. Gewoonlijk honigen, bij daartoe gunstige weersgesteldheid, de eerste heidebloempjes 't meest en sommige velden geraken al prachtig in bloei. 't Laat zich aanzien, dat de heidestruikjes geruimen tijd zullen bloeien; wellicht geraken nog vele eerst na den regen ontstane loten in bloei.
Winnen de bijen op de boekweit nagenoeg uitsluitend in de voormiddaguren, de bloesems der struikheide honigen den ganschen dag, doch in de namiddaguren gewoonlijk 't ruimste. Droog warm weer dan daarbij bij voorkeur een heel kalm windje uit den Zuid-Oosthoek zijn in hooge mate bevorderlijk aan de nectarafscheiding. Komt er nu en dan eens een regenvlaag of zelfs een onweersbui, 't hindert niet, als daardoor de lucht maar niet te sterk afkoelt en 't weer zijn mild karakter blijft behouden.
Jammer is 't inderdaad, dat op sommige heidevelden al te veel, op andere daarentegen te weinig bijenvolken worden geplaatst. Op de laatste gaat nog veel honigsap verloren, en op de eerste kon 't gewin beter zijn, als de bijen niet telkens op bloesems terecht kwamen, waaruit de nectar reeds is weggehaald.
Wanneer men daartoe in de gelegenheid is, plaatse men zijne koloniƫn in de nabijheid van een woning en drage aan den bewoner op, die daartoe veelal wel te vinden is, eenig toezicht te willen houden. Komen de volken onbeheerd te staan, zoo zoeke men een beschut en verscholen plekje. Beschut, opdat de bijen niet al te zeer aan wind en weer zijn blootgesteld, verscholen, om te voorkomen, dat een of meer korven of bijenkasten worden weggehaald, of leeggeplunderd. Zoo heel licht zal dit laatste wel niet gebeuren, nu meer en meer bekend wordt dat daarop streng wordt gelet en op genoemd misdrijf een zware straf staat.
Voor eenige jaren toch werd iemand, die een korf met bijen en honing van de heide had ontvreemd, deswege veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf.
Ons is reeds gebleken dat er in de eerste heidebloesems vrij wat honigsap zit. Al was 't weer in de laatste dagen niet zooals we dat gaarne hadden, toch hebben onze bijtjes al aardigjes op genoemde bloesems gewonnen.
Werkt 't weer in de eerstkomende weken ten goede mede, dan kan 1917 nog een puik honig jaar worden. Laten we 't beste er maar van hopen.