Een niet verwachte tegenvaller.

Zoo kunnen wij den honigoogst van 1917 voor de meeste ijmkers kenschetsend noemen.
„Het wordt van 't jaar een goed honigjaar", was 't als dezen zomer met mij over de bijen werd gesproken, ik trok dan de schouders op en meende te moeten aanmerken, dat er nog niets van te zeggen was.

Zoo algemeen was men echter van oordeel dat er veel honig kwam, omdat men het in verschillende kranten had gelezen, dat daaraan te twijfelen zoo ongeveer werd opgevat
alsof men niet met den rechten ijmker sprak. Ten minste, het gesprek over de bijen stokte en er werd over iets anders begonnen.
Hoe die legende nu ontstaan is, dat er zooveel honig moest komen? Misschien omdat werkelijk dezen zomer hier en daar veel slingerhonig is gewonnen. Of wel, dat werkelijk de bijen zich prachtig ontwikkelden. De een of andere berichtgever heeft toen gemeend aan zijn courant te moeten melden dat er veel honig zou komen en anderen hebben dit nagepraat.

Hier te lande zeide mij dezer dagen een bij 't ijmkeren grijs geworden bijker, moet 't van de Augustus maand komen. Al 't mooie weer van te voren kan ons niet helpen, als Augustus ons in den steek laat.
En zoo is 't geweest, hoogstens twee dagen hebben de bijen op de heide van belang kunnen vliegen in onze streken en elders is 't zooals ik verneem niet veel beter geweest.
Toen men einde Augustus, begin September de volken ging nazien, viel 't regelmatig tegen en wie de suiker reeds had besteld, oordeelde al spoedig, dat hij veel te weinig suiker had opgegeven.

Zoo is 't algemeen, men profiteert nog veel te weinig van de suiker; slechts enkelen uit den doorsnee ijmker durft voldoende diep in de beurs te tasten en zooveel suiker bestellen als hij noodig heeft. Het wordt echter beter. Althans in onze buurt zijn er die voor ruim 50 opzetters 350 K.G. suiker nemen en zoo zal dat wel overal toenemen, zoodat 't niet lang meer zal duren, of onze vereeniging heeft een half millioen K.G. suiker jaarlijks noodig.

Nu vraag ik u, hoe zulks ooit zoo mooi voor elkaar zou gekomen zijn, als we geen vereeniging hadden. Is dat niet een prachtig bewijs van wat een vereeniging kan doen, als ze een zaak goed aanpakt.
Nu zijn er die om deze suikeraffaire de schouders optrekken en zeggen: „de suiker is de kurk, waarop de vereeniging drijft." Zonder nu iets te willen zeggen over de onzinnigheid van dit beeld, is zulk zeggen toch eigenlijk laf, want 't bewijst dat men 't goede persé niet wil zien en slechts oogen heeft voor vermeend kwaad. Dat is heel anders dan onze bijtjes. Die vliegen van bloem op bloem, maar zuigen geen vernijn, slechts den zoeten nectar nemen ze op. Er zijn heel wat ijmkers, die dat wel eens mogen bedenken.

Ik vind onze suikerverschaffing iets prachtigs, een mooi bewijs dat er energie van onze vereeniging uitgaat en dat we nu dit jaar ook voldoende suiker kregen is schitterend en 't H.B. verdient daarvoor ons aller lof.
Ik zie nog meer in de suikerverschaffing. Deze zal ons den weg wijzen en heeft ons dien reeds gewezen naar de afdeeling handel, die dit jaar bewezen heeft iets onmisbaars voor onze vereeniging te wezen, zal de ijmkerij oeconomisch verder vooruit kunnen komen.
Voor 't doen van inkoopen voor 't geen noodig is, kan men nu al nergens beter terecht dan bij onzen Directeur van de afdeeling Handel, die thans reeds voor f 30.000.-- heeft omgezet.

Geen wonder dat enkelen nu op hun achterste pooten gaan staan en luid schetteren en trachten zoo'n sterk geluid te maken, dat men niet meer zou waarnemen, dat onze vereeniging bezig is een flink stuk voordeel aan de ijmkers te bezorgen. En we zijn nu nog maar pas begonnen. Laten wij ons nu niet van de wijs brengen, door enkelen, die 't niet kunnen zetten dat we als vereeniging bloeien, ofschoon ze zich voordoen als de ware vrienden.

Ik vind het een van de lichtpunten van dit jaar, dat de vereeniging zelf begonnen is met de instelling eener afdeeling „Handel". Wordt deze zaak goed aangepakt, dan zal blijken welke groote voordeelen op den duur daarin voor den ijmker gelegen zijn, want er moet nog veel, zeer veel gebeuren, voordat de afdeeling Handel is wat ze wezen moet. Een groot arbeidsveld ligt voor haar en ze bewandelt mijns inziens alleen den goeden weg, wanneer afdeeling handel en suikerdistributie in één hand komen.
Ieder houdt er natuurlijk zijn denkbeelden op na en werkt daarvoor zooveel hij kan, als hij n.l. hart voor de zaak heeft, maar ziet hij, dat 't de goede richting gaat, al is 't dan niet precies zoo, als hij 't zich indacht dan werkt hij niet afbrekend, maar geeft opbouwende critiek.

De honingdistributie heeft er zich doorgeslagen. Dat hier en daar wellicht zelfs vele fouten zijn gemaakt, ligt voor de hand. Er moest iets geheel nieuws worden ingericht.
De vraag is bij mij opgekomen: waarvoor was de distributie nu eigenlijk noodig? Zou niet 't zelfde zijn bereikt als enkel een maximumprijs was vastgesteld? Nu moest machtig ingegrepen worden op de vrijheid van handelen bij den ijmker en dit zal niet weinig geld hebben gekost.

Dit zal geschied zijn ten gerieve van de koekbakkers, dat die aan den honig komen, welke ze behoeven, maar was 't daarvoor noodig, dat de ijmkers hun vrijheid van handelen grootendeels inboetten? 't Was hier geen kwestie van een algemeen volksbelang en evenmin het bedienen van een klant door de ijmkers, want de koekbakkers waren zelden onze afnemers.
Hoe 't ook zij, nu er zoo weinig honing zal worden gezeemd, zullen de kosten der distributie niet evenredig zijn aan 't gewin.

Ik heb nooit geweten dat er zooveel beroepszeemers waren, als thans is gebleken en 't is mij opgevallen hoe warm deze op 't zeemen zijn. Er moet dus nog wel wat mee te verdienen zijn en daarom ben ik in mijn denkbeeld versterkt, dat we den weg op moeten naar de groote coöperatieve zeemerij, waar we op den duur logisch zullen terecht komen. De afdeeling Handel zal er ons ten slotte wel brengen.

H. Stienstra.