Nog eens een niet verwachte tegenvaller.

Naar aanleiding van de maandelijksche beschouwingen:
Overdrijving schaadt, zoowel in 't aanprijzen van het goede als in 't afbreken van het kwade.

M. de R. !
In 't Octoberno. lees ik onder 't hoofd „Een niet verwachte tegenvaller" een ontboezeming van U, die mij noopt eenige kantteekeningen te maken.
U spreekt b.v. over imkers, die niet voldoende diep in de beurs durven tasten.
Ik meen dat ik daar al eens meer over heb gelezen of hooren spreken, maar ik begrijp niet dat zulks door U nog wordt onderschreven. Over het durven van onze imkers is, geloof ik, al heel weinig te klagen; de geldkwestie is meer een zaak van kunnen.
Ik meen niet ver van de waarheid af te zijn als ik zeg, dat er maar zeer weinig imkers met b.v. 50 volken zijn, die 350 X 29 ct. of ruim honderd gulden kunnen betalen reeds vóórdat zij hunnen honing te gelde maakten, of zooals dit jaar nog veel voorkwam, zonder dat zij honing konden missen.
Nu kan men wel suiker in depot krijgen, maar de afdeelingskassen zijn ook in den regel geen honderd gulden rijk, onbesproken latende de nog vele niet-aangesloten imkers en verspreide leden.

Op blz. 150, regel l—6 van boven, schrijft U (zelfde artikel): „of onze vereeniging heeft een half millioen K.G. suiker jaarlijks noodig." Nu Vraag ik U, hoe zulks ooit zoo mooi voor elkaar zou gekomen zijn, als we geen Vereeniging hadden. Is dat niet een prachtig bewijs van wat een Vereeniging kan doen, als ze een zaak goed aanpakt?

Ik kan uw conclusie niet begrijpen, evenmin een verband vinden tusschen 't goed aanpakken van de vereeniging en het noodig zijn van een half millioen K.G. suiker. Dat er veel suiker noodig zal zijn ligt toch, dunkt mij, aan de slechte honingoogst en aan 't aantal opzetters, doch heeft met de activiteit van een vereeniging niets te maken.
„Mooi voor elkaar" zou ik het pas noemen, als niet vele imkers voor suiker behoefden afgewezen te worden, zooals dit voorjaar is geschied! In verband daarmede is uw enthousiasme in regel 17 en 18 v.b. op dezelfde bladzijde waar U schrijft: „dat we nu dit jaar ook voldoende suiker kregen is schitterend", eenigszins misplaatst en ook geheel bezijden de waarheid.

Daarin wordt U zelfs tegengesproken door den Algemeenen Secretaris der Vereeniging in hetzelfde no. onder het hoofd „Accijnsvrije Suiker."
Verder komt er in den laatsten tijd van uw zijde steeds een verweer voor — als ik het zoo eens noemen mag — tegen afwezige (denkbeeldige?) vijanden.
Maar nimmer nog vond ik in de Maandschriften vijandelijke aanvallen. Wie staan b.v. op hun achterste pooten en schetteren luid? Ik vind ze in 't Maandschrift niet, integendeel, dat ademt alles rozengeur en maneschijn.

Overgaande naar de Honingdistributie kan ik thans uw zienswijze deelen en onze afdeeling richtte zich in dien geest ook tot het Hoofdbestuur.
Echter niet zooals U, nadat de geheele distributie aan den kant is, maar lang er voor, toen er nog veel te redden zou geweest zijn. Wat baat het of U nu achteraf komt prediken ? Dat helpt niet meer en kweekt maar ontevredenheid.
Bovendien schrijft U in 't Septemberno., blz. 136 (Honigdistributie Aug.-Sept.), regel 9 tot en met 11 van boven: „zoo gewerkt, wordt 't een genoegen er aan mee te doen, al vraagt 't nu ook wat meer inspanning dan men gewend is."
Dat luidt toch geheel anders dunkt mij.

Waart U met uw beschouwingen gekomen toen plannen tot distributie bestonden, dan konden misschien de 7500 aangesloten imkers bewerken, dat slechts maximum prijs werd gesteld, evenals dit b.v. in Duitschland geschiedde.
Mij komt 't echter voor, dat het H.B. zelf deze distributie niet ongelegen kwam.
De imkers wilden die niet en ook de handelaren, voor zoover mij bekend, stemden er niet ten volle mede in.
Zoo is 1917 voor de imkers in meer dan één opzicht een onverwachte tegenvaller geweest.
JOH. A. JOUSTRA, Balkbrug.

-------


Naschrift der Redactie.
De heer Joustra vindt althans, dat ik iets goeds heb aangeprezen, hij meent, dat ik heb overdreven, wij verschillen aldus slechts in de waardeering van 't goede.
Nu dat is een algemeen voorkomend verschijnsel in ons goede Nederland, het is al veel, wanneer men het in beginsel eens is.

De heer J. heeft volkomen gelijk, als hij schrijft, dat de geldkwestie meer een zaak is van kunnen. Het is dan ook volstrekt niet de bedoeling der Red. er de ijmker hard over te vallen, als ze niet verder willen springen dan hun pols lang is. Toch is het volkomen waar, dat de imkers op 't juiste oogenblik vaak niet voldoende diep in de beurs durven tasten, want het is mijn ondervinding elk jaar van de meeste ijmkers, die ik spreek, dat ze graag wat meer suiker hadden besteld, dan ze gedaan hebben. Ook dit jaar sprak ik er meerdere, die graag nog eens opnieuw een bestelling zouden doen. Wanneer de heer J. dat nu als een verwijt opvat, dan is dat mijn bedoeling volstrekt niet geweest, maar wel was het de bedoeling de ijmkers op deze fout te wijzen en bij een volgende gelegenheid, die niet opnieuw te maken.

De ijmker, die ik op het oog had met 50 volken en 350 K.G. suiker, is nog een jonge man, die als kleine boer met hard werken er komt en 't was juist een lofuiting op dit durven, dat er van durf werd gesproken. Het is mijn meening, dat iemand van dit gehalte verder komt, dan wie de zaak minder flink aanpakt en geheel af te keuren is het, wanneer met onvoldoenden voedselvoorraad wordt gewerkt, zulks loopt op schade uit. Van het dan uitgegeven geld is vooruit te zeggen, dat het niet winstgevend zal zijn.

In onze afd. is 't gebruik van gedenatureerde suiker toenemend. Bij sommigen zelfs verdubbeld en dat vind ik een verblijdend verschijnsel, het toont, dat met meer energie wordt gewerkt, en daarom meen ik zulks ook elders te moeten aanmoedigen.

Ik zal nog moeten trachten de heer J. begrijpelijk te maken, hoe onze Vereeniging een prachtig bewijs heeft gegeven van activiteit in de suikerlevering. Tevens zal daaruit moeten blijken, dat de hoeveelheid suiker, die gewonnen wordt, niet alleen afhangt van den oogst en ook dat deze cijfers er op wijzen, dat de hoeveelheid benoodigde suiker jaarlijks toeneemt.

Daarvoor heb ik de moeite genomen uit de verschillende jaargangen na te gaan, hoeveel suiker in de opeenvolgende jaren is verschaft.

Dus rond één millioen zes honderd vijftig duizend K.G.

Nu kan niemand, die er niet inzit begrijpen, hoeveel moeite en bezwaren eraan verbonden zijn om deze suikerverschaffing te regelen, alleen zij, die er mede belast zijn in hunne afdeelingen de suikerverschaffing te regelen, kunnen er zich een kleine voorstelling van vormen en die zullen met mij, die zulks ook steeds had te doen, van oordeel zijn, dat daarmede een prachtig bewijs van activiteit is geleverd.

De cijfers geven ook wel aan, dat de hoeveelheid suiker, die noodig is niet beheerscht wordt door den honigoogst alleen. Er is een klimming te bespeuren en de toekomst zal 't uitmaken, of ik verkeerd heb gezien of niet. Ik meen uit wat ik zie en waarneem in het ijmkersleven te moeten opmaken, dat de vraag naar suiker steeds grooter zal worden en na niet te langen tijd tot een half millioen K.G. zal klimmen.

De activiteit onzer mannen, die de Ver. besturen, de meer of minder vlotte levering, de gemakkelijkheid om ze te bekomen speelt hierbij een voorname rol. Er bestond dus wel degelijk verband tusschen de activiteit der bestuurders en de hoeveelheid, die verbruikt wordt. Het meest hangt 't natuurlijk af van de leden zelve, n.l. of ze hun ijmkersbedrijf meer of minder intensief voeren. Zij, die 't meest intensief werken, gebruiken betrekkelijk de meeste suiker. Ik wil daarmede niet aanmanen tot overdreven suikervoedering. De meeningen zijn daarover trouwens verdeeld.

De heer Kelting bijv. is volstrekt niet bang ook voor suikervoedering in 't voorjaar, maar niet vergeten moet, dat in zijn omgeving in 't voorjaar veel stuifmeel is te halen.
Van andere zijde wordt tegen overmatig suiker voeren gewaarschuwd, omdat daarmede een zwak bijenras zou worden gekweekt.
Voedering in 't voorjaar met stuifmeelrijken honig zal dan ook wel steeds aan te bevelen zijn, dit neemt niet weg, dat bij afwezigheid daarvan ook de suiker zeer goede diensten bewijst.

Voor een overmatig suikergebruik is ook nog geen gevaar. In 1912 werd 't aantal opzetters op 100000 geschat, sedert is dit aantal toegenomen, en dit zal nog meer kunnen als 't afzwavelen gedeeltelijk door afsalpeteren wordt vervangen, wat door de suiker meer mogelijk is gemaakt. De gemiddelde hoeveelheid suiker die gebruikt wordt zal dus + 2 K.G. per volk bedragen, wat gerust zonder schade tot 5 K.G. kan worden opgevoerd.

Meer algemeen gebruik van suiker, waarop ook wijst de groei van 't ledental, en de toename van 't aantal opzetters, geven met wiskundige zekerheid aan, dat er ieder jaar een toenemende behoefte zal zijn aan gedenatureerde suiker.
Zeker is wat dit jaar door 't H.B. gedaan is, wat betreft de suikerverschaffing schitterend. Dit is niet misplaatst en volstrekt niet bezijden de waarheid. De Algemeene Secr. spreekt mij in zijn verslag ook niet tegen, want hij schrijft, dat dit jaar 217000 K.G. is verschaft, de grootste hoeveelheid die tot dusver in een najaar werd afgeleverd.

Wanneer men nu niet wil erkennen, dat het H.B. dit jaar de suikerlevering nog prachtig voor elkander heeft gekregen, dan kan zulks alleen worden toegeschreven aan gebrek aan waardeering. Niemand zal zich toch kunnen ontveinzen, dat dit jaar buitengewone moeilijkheden waren te overwinnen en niemand, voor zooverre mij bekend, die op tijd suiker vroeg, werd teleurgesteld.

Van denkbeeldige vijanden is geen sprake, maar 't is den heer J. wel bekend, dat, 't zij door misverstand, 't zij door 't zooeven genoemde gebrek aan waardeering, dat enkele personen onrust trachten teweeg brengen. Dat uit 't Maandschrift daarvan weinig bleek, was, omdat het persoonlijk element daarbij te veel naar voren trad. Het Maandschrift kan nu eenmaal niet persoonlijk zijn en slechts met zakelijke argumenten werken, ofschoon ik beken, dat de grenzen hierbij moeilijk zuiver zijn te houden.
De heer J. heeft althans getracht zakelijk te zijn en zulks waardeert de Red. en zal dan ook niet weigeren, als daarvoor plaats is, beschouwingen op te nemen.

Wat de distributie betreft, daartoe was door den Minister besloten en had men zich daaraan, als aan zooveel, te onderwerpen. Het is echter mijn meening dat, voor zooverre het geen eisch van algemeen belang is, zooveel mogelijk vrijheid moet worden gelaten; indien echter door de regeering eenmaal een maatregel is getroffen, behoort in de tegenwoordige omstandigheden zooveel mogelijk te worden medegewerkt, al gaat 't ook tegen persoonlijke ideeën en eigenbelang in.

Wat de heer J. nu ten slotte bedoelt, dat 't H.B. zelf deze distributie niet ongelegen kwam, begrijp ik niet, het lijkt mij een addertje in 't gras.
Mijn meening is, dat 't H.B. alles gedaan heeft, om in de gegeven omstandigheden voor de ijmkers de beste voordeelen te verkrijgen, die te behalen waren. Deze voordeelen zouden nog grooter geweest zijn, indien niet door bemoeiingen buiten 't H.B. om de prijs per K.G. met 5 cent naar beneden was gedrukt.
Dit als gevolg van een ongevraagd advies in het Juni-nummer van de P.I.
Dit advies werd als wapen gebruikt, om den honigprijs naar beneden te drukken.
Met zeer veel moeite is toen de prijs van 42.5 cent per halve K.G. nog behaald kunnen worden, terwijl met goede redenen 45 cent was bepleit.

Als de heer J. nu toch van een tegenvaller wil spreken, dan was dit er een, die de ijmkers eenige duizenden guldens heeft gekost.

Red.